Viering van de Heilige Mis
Zondagsvieringen
St.-Martinuskerk (Dorpskring 0, 3210 Lubbeek): 11 uur: eucharistieviering
St.-Pieterskerk (Kerkplein 1, 3212 Pellenberg): 10 uur : gebedsdienst
Zaterdagsvieringen
Kapel Onze Lieve Vrouw van Lubbeek (Binkomstraat 18a, 3210 Lubbeek): 8 uur: eucharistieviering
St.- Martinuskerk (Dorpskring 0, 3210 Lubbeek): 18 uur: eucharistieviering. Opgelet: bij Eerste Communie- en Vormselvieringen vervalt de daarop volgende avondviering
Weekvieringen
St.-Martinuskerk (Dorpskring 0, 3210 Lubbeek): 19 uur: eucharistieviering behalve op maandag
Preken tijdens misviering
HOMILIE VOOR PINKSTEREN 2026
“Daarna blies Hij over hen en zei: ‘Ontvang de Heilige Geest.’”
Beste medegelovigen,
Vandaag vieren we Pinksteren, de voltooiing van het paasmysterie. Vijftig dagen na Pasen stort God zijn Geest uit. In de Bijbel staat het getal vijftig voor volheid en bevrijding, zoals het oude jubeljaar waarin slaven hun vrijheid terugkregen en schulden werden kwijtgescholden. Zo opent God vandaag de weg naar een nog diepere bevrijding: die van ons hart.
Maar wie is de Heilige Geest? Tijdens een ontmoeting in Scherpenheuvel vroeg een vormeling mij: “Wie is de Geest werkelijk? Hoe kunnen we Hem begrijpen als Hij onzichtbaar is, en hoe weten we dat Hij werkt?”
De Heilige Geest is de kracht, de dynamiek en de liefde van God die in Jezus aanwezig was. Na Pasen heeft Jezus die Geest in de harten van zijn leerlingen gelegd. Diezelfde kracht bewoog Jezus om goed te doen, en die kracht ontvangen ook wij als we ons ervoor openstellen. De Geest helpt ons om lief te hebben, te vergeven en dienstbaar te zijn.
Zijn werking is onzichtbaar, maar de gevolgen zijn tastbaar. Denk aan drie eenvoudige beelden: De wind: Je ziet hem niet, maar je voelt de bries en ziet de bladeren ritselen. Zo schenkt de Geest ons onzichtbaar de kracht om te vergeven of de moed om te helpen. Het licht: In een donkere kamer maakt een klein lampje de weg veilig. De Geest verlicht ons pad bij moeilijke keuzes.
De adem: Onmisbaar om te leven. De Geest is de spirituele ademhaling die ons innerlijk bezielt wanneer we uitgeput zijn. In de eerste lezing horen we hoe pelgrims in Jeruzalem het joodse Wekenfeest vieren, de herdenking van de Wet op de Sinaï. Maar vandaag gebeurt er iets nieuws: God schrijft zijn wet niet langer op stenen tafelen, maar in de harten van mensen.
De stormwind, de vuurtongen en de verschillende talen hebben een diepe betekenis. De wind herinnert aan Gods scheppingsadem die nieuw leven schenkt. Het vuur zuivert en transformeert van binnenuit. En de verschillende talen laten zien dat het Evangelie er is voor alle volkeren. Waar de torenbouw van Babel voor verdeeldheid zorgde, brengt Pinksteren eenheid, zónder de unieke verschillen tussen mensen uit te wissen.
Het grootste wonder is de innerlijke gedaanteverandering van de leerlingen. Zij die zich uit angst hadden opgesloten, veranderen in moedige getuigen van de verrezen Heer. De Geest verandert niet de uiterlijke omstandigheden, maar het menselijke hart.
Het evangelie neemt ons mee naar de leerlingen achter gesloten deuren. Die deuren symboliseren onze eigen angsten: voor de toekomst, voor mislukking of voor het lijden. Juist daar verschijnt de verrezen Christus met de woorden: “Vrede zij u.” Dit is geen oppervlakkige rust, maar de dragende aanwezigheid van God te midden van de levensstormen. Daarna blaast Jezus over hen. Net zoals God in Genesis de levensadem in de mens blies, begint Christus hier een nieuwe schepping.
Ook vandaag leven velen van ons innerlijk opgesloten door angst, eenzaamheid of kwetsuren. Alleen de Heilige Geest kan angst veranderen in vertrouwen en verdeeldheid in broederschap. De Kerk is geen koude uniformiteit, maar een levende gemeenschap waarin iedereen een eigen plaats en zending heeft.
Christus wil vandaag opnieuw over zijn Kerk blazen om het vuur aan te wakkeren. Het grootste gevaar voor ons is een geloof zonder vuur, zonder vreugde en zonder innerlijke kracht. Zonder de Geest blijft de Kerk een menselijke institutie; mét de Geest is zij een levend volk dat licht en hoop brengt.
Moge de verrezen Christus de gesloten deuren van ons hart openen. Moge Hij zijn Geest over ons uitstorten, zodat wij levende vlammen worden in een wereld die vaak verduisterd is door angst.
Amen.
EVANGELIE: GEEN SOCIAAL MANIFEST
Toen ik jong was, tijdens en vlak na het 2de Vaticaans concilie, werden onze dorpen plots overspoeld door jonge patertjes die ons met veel enthousiasme wilden weglokken uit de oude verkalkte kerk en binnenloodsen in het Walhalla van de moderniteit.
Uitspraken als “vroeger hadden we de H. Apollonia, maar nu hebben we de tandarts”, ontroerden ons ten zeerste en ze braken een heel nieuwe wereld voor ons open. Dat vondende paters tenminste zelf.
De ellende is alleen maar dat je na 60 jaar alleen kan vaststellen dat het geloof waarin God en de Verrijzenis van Christus centraal stond, bijna helemaal vervangen is door een nieuw evangelie. En dat evangelie is samengesteld uit een aantal uitspraken van Jezus, uitspraken die naar eigen inzichten gegroepeerd worden tot een soort van sociale leer. Een wat softe versie van het Marxisme, zeg maar.
Maar we zijn dus wel modern. Vele hedendaagse commentatoren, schrijvers, lesgevers en predikanten vertellen nu al 60 jaar hetzelfde. Maar ze achten zich nog altijd “nieuw” en “modern”.
En dat is natuurlijk niet waar. Ze zijn gewoon 60 jaar blijven steken in het omvormen van ons godsdienstig geloof naar een soort sociale code.
Ging het vroeger veel te veel over seksuele moraal, dan is het nu vooral een kwestie van caritas en liever-lief geworden. En eigenlijk heb je daar geloof niet echt voor nodig.
Het is natuurlijk wel zo dat een geloof als het onze, met een God die pure liefde is en van ons hetzelfde vraagt, noodzakelijk zich moeten vertalen in inzet voor anderen.
Het is dan ook niet meer dan normaal dat zowat alles wat in de hedendaagse wereld te maken heeft met sociale rechtvaardigheid en inzet voor minderbedeelden, schatplichtig is aan ons christelijk geloof. Zelfs Karl Marx, wiens vader een bekeerde Jood was die dominee werd, heeft de Bijbel met de papfles ingelepeld gekregen.
Het christendom dus als kompas, als gerichtheid, als grondhouding.
Maar daardoor is het nog geen sociale doctrine. Het christendom is op de eerste plaats een godsdienst. Fundamenteel gaat het over contact zoeken met God en zelfs over één worden met God. En omdat die God zo sterk met ons verbonden is dat je Hem ten diepste vindt in jezelf, speelt de Verrijzenis van de mens Jezus Christus zo een belangrijke rol in ons verhaal.
Het gaat ook over ons. Zijn wij een grassprietje dat ’s morgens opkomt en wat later verdwijnt of het er nooit geweest is? Of zijn wij bestemd voor de eeuwigheid? Uiteindelijk gaat het dáárover.
Vandaar het belang van het geloof in de Verrijzenis. Een geloof dat meer is dan het instemmen met een verhaal over een weggerolde steen voor een graf.
Het is een geloof dat wezenlijk gaat over een ontmoeting en daarna zelfs een relatie met de Verrezen Heer.
Vandaar het enorme belang van gebed en meditatie ook voor hedendaagse christenen.
En, nog eens, het opkomen voor mensen in nood en het kiezen voor de zwaksten is het vanzelfsprekende gevolg van je geloof in de God van Jezus, maar het is niet het geloof zelf.
Christelijk geloof heeft te maken met het in contact staan met God, die je vindt in het diepste van jezelf.
En die je het beste dient in de zorg voor zijn mensen.
HELEMAAL MIJN EIGEN BAAS
Joh 14, 15-21
In de eerste eeuwen van het christendom oogstte een zekere Pelagius met zijn leer behoorlijk wat succes. Zijn inzichten werden in die tijd onmiddellijk bestempeld als ketterij en hardnekkig door Augustinus bestreden.
Op dit ogenblik is zijn leer echter geruisloos gemeengoed geworden.
Pelagius vertelde namelijk dat de mens zijn eigen bestemming in handen heeft, dat hij God niet nodig heeft om zijn levensdoel te bepalen en dat hij dat ook op eigen krachten kan bereiken. Dat wij in onze hedendaagse strijd voor meer rechtvaardigheid bijvoorbeeld, alles te verwachten hebben van onze menselijke inzet is zonder meer vanzelfsprekend geworden.
Als wij jong zijn komt dat “pelagianisme” tot uiting in overmoed.
Later, wanneer blijkt dat de werkelijkheid weerbarstig is en zich niet zomaar plooit naar onze wensen, komt er meer verbetenheid en een zekere hardheid aan de pas, vaak zelfs overgaand in verbittering. In een meedogenloos oordeel (Herman Servotte) en een volkomen onwil tot vergeving.
VERRUWING
Het is dan ook niet verwonderlijk dat uitgerekend in onze tijd de onverdraagzaamheid alsmaar toeneemt. Juist omdat de overtuiging veld wint dat ieder zijn eigen leven ontwerpt en ook voor de realisatie ervan instaat, dat iedereen die niet in mijn plaatje past als een tegenwringer of zelfs als een vijand wordt beschouwd. Als iemand die mijn geluk in de weg staat.
Vandaar merk je ook duidelijk een verruwing van onze maatschappij.
Een banale burenruzie gaat moeiteloos over in eeuwigdurende lastercampagnes en pesterijen. En waar vroeger enkele rake klappen werden uitgedeeld, worden nu al vlug messen of andere wapens bovengehaald.
Sommigen spreken inderdaad van verruwing van onze maatschappij, anderen hebben het ronduit over “verwildering”. Echt niet verwonderlijk en ook niet overdreven als je elke morgen de eerste berichten op de radio beluistert.
KLEINE ZELFSTANDIGEN
Uiteindelijk heeft ons “pelagianisme” alles te maken met ons doorgeslagen gevoel voor vrijheid en autonomie. Wij zijn immers niets of niemand verantwoording verschuldigd. Wij zijn volkomen onze eigen baas, en wij beslissen volkomen soeverein wat we met ons leven doen en hoe we dat doen.
Dat klinkt allemaal heel manhaftig, maar christelijk is het niet.
Als christen geloof je inderdaad dat je niet jezelf ineen geflanst hebt.
En dat je dus ook niet helemaal je eigen baas kan zijn.
Dat Iemand anders je gewild en gemaakt heeft. Iemand die heel erg veel van je houdt en die, precies omdát Hij van je houdt, je vrij laat en ruimte geeft.
Maar Hij heeft wel een droom over wie je zou kunnen worden, hoe je jezelf zou kunnen ontwikkelen tot diegene die je kan worden als je helemaal openbloeit.
En daarbij probeert Hij je te helpen op duizend en één manieren, zonder je vrijheid in het gedrang te brengen. Die wisselwerking tussen God en mens zal dus niet simpel zijn. Zeker niet voor God. Hij moet oneindig vindingrijk zijn.
Immers, Hij wil ons vrij zijn eerbiedigen, maar anderzijds ook zijn eigen vrijheid. Hij is niet ons knechtje, dat ons op onze wensen moet bedienen.
Vandaar dat je soms de indruk hebt dat je moet dankbaar zijn zonder dat je weet wie je precies moet danken. Soms heb je ook heel sterk het gevoel dat je verhoord werd, zonder dat je iets uitdrukkelijk hebt gevraagd …!
God heeft zo zijn eigen manieren.
Daarom is Hij God.
Luc Thiry
NAAR ECHTE VERNIEUWING
Michel Maffesoli, emeritus professor aan de Sorbonne, keert zich in een boek “De lichten zijn gedoofd” tegen de geleidelijke verandering van een van de grootste vrijmetselaarsgroepen in Frankrijk, “Le Grand Orient”.
Zijn scherpe kritiek richt zich op het feit dat volgens hem de vrijmetselarij de oorspronkelijke geest heeft verlaten. Volgens hem is de beweging geëvolueerd van een spirituele zoektocht naar een kring voor politieke en maatschappelijke discussies.
Daarmee zijn volgens hem de oorspronkelijke idealen (van de Verlichting) vervangen door de hedendaagse thema’s van het “politiek correcte”.
Het begon allemaal in 1877 toen “Le Grand Orient” de verwijzing naar de “Grote Architect van het Universum” liet vallen. Hier ligt volgens Maffesoli het begin van de malaise. Wanneer men niet langer gelooft dat er een onzichtbare werkelijkheid bestaat die de zichtbare helpt begrijpen, verdwijnt de spirituele kern.
OUWE KOEK
Hij beschouwt de maatschappelijke discussies zoals over euthanasie, abortus en LGBT-kwesties als politieke thema’s die niets met de oorspronkelijke missie van de vrijmetselarij te maken hebben. En hij laat niet na erop te wijzen dat 65% van de jongeren de vrijmetselarij verlaat en dat de gemiddelde leeftijd van de leden sterk is gestegen.
En terwijl ik dat allemaal lees, denk ik: is die nu over de vrijmetselarij bezig of over de Kerk? Want is de Kerk niet in hetzelfde bedje ziek? Waar is bij ons de spiritualiteit gebleven? Wordtin de Kerk niet aardig geflirt met ariaanse fantasieën en politieke utopieën?
Alsof Jezus een soort hippie-achtige voorloper was van Marx en Marcuse.
Maar die ruimte heeft Jezus ons niet gelaten. “Wie mij ziet, ziet de Vader”, zegt Hij. En “Ik en de Vader, wij zijn één.”
Jezus is geen filosoof en geen profeet, maar God zelf in de gestalte van een Mens.
Dat is ons geloof. En het is een geloof dat stevigheid geeft in een periode als de onze, nu de moderniteit ten einde loopt en een nieuwe postmoderne fase zich vormt.
TOEKOMST?
Maffesoli merkt de hernieuwde belangstelling voor spiritualiteit en voor het heilige, vooral onder de jongeren. Het uit zich in nieuwe vormen van religieuze beleving en ook in een groeiende belangstelling voor traditionele religieuze praktijken.
Wij merken dat ook.
Het zou dus goed zijn dat we nieuwe inzichten (zoals van het Vaticaans concilie) veilig stellen en niet helemaal terugplooien “naar vroeger”. Maar anderzijds moeten we ook resoluut komaf maken met het vervangen van spiritualiteit door morele codes en het vertalen van ons geloof en van de hele Bijbel in politieke stellingnames.
Het is duidelijk dat het christelijk geloof radicale, morele keuzes inhoudt. Maar je kan het niet simpelweg vervangen door een moraal.
Wanneer je niet gelooft in het bestaan van een diepere, onzichtbare werkelijkheid achter de zichtbare, dan kan je in de Kerk niets komen doen.
Voor het duiden van de politieke werkelijkheid hebben wij genoeg bekwame journalisten en degelijke duidingsprogramma’s. Daar hebben wij de preekstoel niet voor nodig.
“De Kerk”, antwoordde een kleine jongen op een vraag, “dat is de plaats waar je iets verneemt over God en zijn manieren”.
Het antwoord van die jongen was ongewild grappig, maar ik denk dat dit het enige juiste antwoord is.
Luc Thiry
HET GELOOF VAN THOMAS
Joh 20, 19-31
In een groot deel van India worden christenen lastig als je suggereert dat hun geloof teruggaat op de kolonisatie en de komst van Portugezen en Engelsen.
Ze zeggen dat hun christenzijn komt van de prediking van de apostel Thomas en ze beweren dat zij al christen waren toen wij in Europa nog volop heilige eiken aanbaden. Dat zal wel kloppen.
Dat de zogenaamde ongelovige Thomas na de ontmoeting met Jezus een enthousiaste verkondiger werd, blijkt al uit het evangelie zelf.
Wat voor ons vandaag nog belangrijker voorkomt, is de bijna buitensporige nadruk die in dat evangelie gelegd wordt op de wonden van Christus en zelfs op het aanraken ervan. Méér nog dan het geloof, het vaststellen dat Jezus leeft, is het belangrijk in te zien dat het om de gekruisigde, de met wonden overdekte Jezus gaat, die door de Vader is opgewekt. En die in zijn verheerlijkte lichaam de tekenen van zijn lijden-uit-liefde meedraagt.
NAVOLGING
Als wij dus zeggen – als wij goede christenen willen zijn - dat we de verrezen Christus willen volgen, dan gaat het niet om het gehoorzamen van een geest, maar om het volgen van de Man die uit liefde zijn leven gaf voor de mensen en die daarom door de Vader werd verheerlijkt.
Wij geloven dat wij als we in ons dagelijks leven delen in de tegenwerkingen, de pijn en het lijden die zijn deel waren in zijn inzet voor de mensen, dat wij dan erop mogen vertrouwen dat de Vader die Hem heeft opgewekt, ook ons zal opwekken.
En zo begrijpen wij dan ook de zin: “Wie gelooft, heeft eeuwig leven”.
Als wij spreken over geloven in Jezus gaat het dus niet zozeer over het voor waar aannemen van een aantal verhalen, geloofspunten of uitspraken, maar over het beamen en willen navolgen van Jezus’ manier van leven-voor-anderen.
KRITISCH GELOVEN
In die zin kan je zelfs stellen dat wij Thomas geheel onterecht eeuwenlang een beetje vies bekeken hebben omwille van zijn zogenaamd “ongelovig” zijn.
Voor hetzelfde geld kan je zeggen dat Thomas gewoon een beetje nuchter bleef in een groep die waarschijnlijk uitgelaten en zelfs extatisch reageerde op de eerste berichten van de verrijzenis.
Ook voor ons vandaag is een enigszins kritische instelling niet ongepast.
Zeker als je nagaat wat zich allemaal als “religieus” aanbiedt.
De navolging van de verheerlijkte gekruisigde blijft onze norm.
Ik moet mezelf geen letsels toebrengen, mijzelf niet pijnigen.
Dat is middeleeuws en ziekelijk.
Maar heb ik, bijvoorbeeld tijdens de voorbije “vastenperiode” mensen die het moeilijk hebben wat verlichting en vreugde gebracht?
Ook als dat mezelf een beetje pijn deed, een beetje moeilijk was, of mij zelfs, financieel, een beetje lichter maakte?
Daar gaat het om: er wordt van mij meer gevraagd dan woorden alleen …
Luc Thiry
VERRIJZEN
Ik heb ooit eens, bij een nochtans bekende schrijver, gelezen dat “Pasen de omgekeerde incarnatie was”. Bij de incarnatie, op Kerstmis, is God mens geworden. En met Pasen, schreef hij, werd de mens Jezus opnieuw God.
Het klinkt mooi en het lijkt goed gevonden, maar als je er ook maar even bij stilstaat, merk je dat het onzin is. Alsof er, toen Jezus onder ons leefde, in de hemel een soort troon stond waar niemand op zat.
Even merkwaardig is de gedachte die je ook vaak tegenkomt, dat de paasverhalen ons willen overtuigen dat er leven is voorbij de dood.
Want niemand moest daarvan overtuigd worden. Iedereen geloofde dat.
Joden, Grieken, Romeinen, Egyptenaren, Germanen, Vikingen, gewoon iedereen geloofde in het bestaan van een soort leven na de dood. Niemand moest daarvan overtuigd worden. Mensen hebben altijd geloofd dat iets in hen eeuwig verder leefde.
REVOLUTIONAIR
Het revolutionair nieuwe van het christendom is dat wanneer de leerlingen na de verrijzenis Jezus ontmoeten, ze er diep van onder de indruk zijn dat die Jezus geen ziel of geen geest of geen spook is, maar de levende Heer, zoals ze met Hem geleefd en gesproken hebben, zoals ze Hem gekend hebben.
Vandaar dat de verrijzenisverhalen ook zoveel nadruk leggen op het feit dat de verrezen Heer eet en drinkt en zelfs een maaltijd klaarmaakt voor zijn mensen, toch niet direct bezigheden die je verwacht van een ziel of van een geest.
Wanneer wij als christenen geloven dat ook wij na onze dood zullen leven bij God, dan kijken wij ook wat dat betreft naar Jezus.
Dan geloven wij dat ook ons voortbestaan niet een soort geestelijk restant zal zijn van wie we hier op aarde waren, maar dat ook wij, zoals Jezus “met ziel en lichaam”, helemaal ten volle zoals we zijn, zullen verrijzen. Dat wij elkaar ook zullen herkennen aan ons uiterlijk, onze taal, onze manier van lachen, onze hele manier van zijn. Wij zullen ook onze geliefdenonmiddellijk herkennen én onze gevoelens voor hen zullen meer levend zijn dan ooit.
Alleen voor negativiteit zal er in Gods nabijheid geen plaats meer zijn.
EIGENHEID
Ik kan mij ondertussen geen enkele voorstelling maken van hoe de hemel er voor ons concreet zal uitzien.
Ik wil alleen maar wijzen op onze neiging om ons het leven bij God te eenzijdig geestelijk, te “onlichamelijk” voor te stellen. Te negatief, te schraal, alsof dat leven na de dood vooral de afwezigheid zou inhouden van allerlei eigenschappen en hoedanigheden die ons hier op aarde zo tekenden en waar wijzelf en andere mensen genoegen aan beleefden.
Ik denk dat wij in de hemel veel meer “mens” zullen zijn dan wij nu voor mogelijk houden.
Naast de liefdesbekwaamheid die we tijdens ons leven ontwikkelden zal ook onze eigenheid, dat wat ons ten voeten uit tekende mogen voortbestaan.
Meer zelfs dan ooit.
Alleen het mindere, het donkere, het niet zo mooie zal in Gods nabijheid weg geschrompeldzijn. Als wij verrijzen zullen wij er staan zoals we er nog nooit gestaan hebben: helemaal en ten diepste onszelf en tegelijk helemaal bevrijd en geheeld, helemaal vervuld van de liefde van de Heer.
Luc Thiry
GELUKKIG ZIJN
Joh 4, 5-42
Het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de waterput is in meer dan één opzicht merkwaardig te noemen.
Om te beginnen is het in het Palestina van die tijd totaal ongebruikelijk dat vrouwen in het publiek een gesprek beginnen met een wildvreemde man.
Bovendien is het de regel dat joden en Samaritanen überhaupt niet met elkaar praten.
Maar het meest verwonderlijke van die hele situatie is dan nog dat Jezus blijkbaar heel goed weet wie Hij voor zich heeft: een vrouw die op een wat losgeslagen manier op zoek is naar levensvervulling en geluk.
En Hij veroordeelt haar niet. Integendeel: Hij onderkent haar dorst, haar rusteloos zoeken naar verzadiging, naar een beetje gelukkig-zijn.
Jezus bevestigt hier het recht van de Samaritaanse vrouw op het zoeken naar geluk. Op het zoeken naar water om haar dorst naar leven te lessen.
Want, zeg nu eerlijk, als God Liefde is, dan kan Hij toch niet anders willen dan dat zijn mensen gelukkig zijn.
VERWARREN
Alleen leert Jezus ons dat we geluk en levensvervulling niet moeten gaan zoeken waar het niet te vinden is.
En over het hoofd van de Samaritaanse heen, zegt Hij dat tegen ieder van ons.
Speciaal in deze tijd van welstand én van minder rigide morele regels, hebben wij nogal eens de neiging om de enorm toegenomen mogelijkheden tot plezier en genot te verwarren met gelukkig zijn.
Genieten van allerlei leuke dingen is natuurlijk ook niet tegengesteld aan gelukkig zijn, maar het is toch nog iets anders.
Plezier en genot zijn meestal hevig, maar kortstondig en zintuiglijk van aard.
Gelukkig zijn is meer een latent weten en voelen, een rustig en zalig besef dat het leven je meezit.
Volgens Jezus word je gelukkig als je leven in overeenstemming is met de bedoeling van je maker. Als je het water drinkt dat Jezus ons geeft om onze dorst naar leven te lessen.
ECHT LEVEN
Je kan dat natuurlijk geloven of niet, maar alleen de mensen die het ook werkelijk proberen,zullen merken dat het volkomen waar is wat Jezus zegt.
Dat het water dat Hij ons geeft inderdaad levend water is, dat wij pas tot echt leven komen in de mate dat wij tegemoetkomen aan wat Hij van ons vraagt.
En dat is gewoon logisch. Als God ons gemaakt en gewild heeft en als Hij van ons houdt, dan kan doen wat Hij van ons vraagt ons alleen maar gelukkig maken.
En wat Hij van ons vraagt, dat is in grote lijnen niets anders dan dat wij ons geluk zoeken in het liefhebben en gelukkig maken van anderen.
Niet het rusteloos zoeken naar genot maakt ons gelukkig, wel het liefhebben van en het bemind worden door andere mensen.
Luc Thiry
TABOR-MOMENTEN
Mt 17, 1-9
Het gebeuren op de Taborberg doet onmiddellijk denken aan een mystieke ervaring die gedeeld wordt door verschillende mensen. Ik weet niet of dat fenomeen vaak voorkomt, ik heb er alleszins geen ervaring mee.
In ieder geval gaat het hier niet om een droom, als vlucht uit de werkelijkheid.
Daarvoor is het onderwerp te rauw: het gaat wezenlijk over het inzicht dat het leven van Jezus onontkoombaar zal eindigen met lijden en dood.
En het enige wat Hem hier geboden wordt is de troost dat dat lijden en die dood niet zinloos zullen zijn, maar integendeel het orgelpunt, het doel van heel de pelgrimstocht van het joodse volk door de geschiedenis. Vandaar Elia en Mozes, die zich met Jezus “onderhouden”. Hij is de vervulling van de Schriften.
Maar het visioen van troost geldt niet alleen voor Jezus, het is ook voor ons opgetekend. Ook al zal ons eigen leven bijna zeker niet zo dramatisch eindigen als dat van Jezus, ook wij kunnen in de grauwheid van het alledaagse leven best wel wat aanmoediging en perspectief gebruiken. Het besef namelijk dat er onder de sleur, het misnoegen en het lijden van de alledaagse werkelijkheid een diepere werkelijkheid schuilgaat, die zin geeft aan wat zinloos lijkt, en draagbaar maakt wat ondraaglijk lijkt.
Je kan het een droom noemen of een visioen.
KOSTBAAR
Je kan het ook geloof noemen. In ieder geval hebben ook mensen als jij en ik zo’n Tabor-momenten nodig. Momenten waarop je heel duidelijk beseft: het heeft zin. Het lijden en het absurde zijn niet het laatste.
Er is ook schoonheid en liefde. God zelf is schoonheid en liefde.
En daarom zijn de momenten dat dat besef in ons doordringt zo kostbaar.
Als de lelijkheid en de leegte ons dreigen in hun greep te krijgen, trachten wij naar de kostbare ervaring van de werkelijkheid van een wereld die pijn en haat en lelijkheid overstijgt en achter zich laat.
Om dat te bereiken is het echter nodig dat wij af en toe, of beter nog heel regelmatig, de ratrace verlaten en de Tabor opgaan om te mediteren en te bidden.
Om die andere werkelijkheid in ons toe te laten en ons een andere visie te geven.
Mediteren en bidden zijn niet “iets van vroeger” en nog minder “wereldvreemd”.
Integendeel, ze schuiven de wereld die de media ons voorhoudt opzij, ze ontmaskeren het theater van oorlog en geweld, misdaad en drugs, van wellust en onderdrukking, om ons de echte wereld te laten zien.
Een wereld van liefde en schoonheid, van goedheid en mededogen: Gods wereld.
De echte wereld.
Luc Thiry
JESUS CHRIST SUPERSTAR?
Mt 4, 1-11
De bekoringen in de woestijn lijken op het eerste gezicht te gaan over aanvechtingen, verlokkingen die Jezus moet weerstaan bij het begin van zijn openbaar leven.
Het zou dan gaan om een spiritueel gevecht, dat beschreven wordt in beelden die ons zintuiglijk waarnemingsvermogen ver achter zich laten en waarvoor wij ons wetenschappelijk neusje ophalen. Wij weten bijvoorbeeld onmiddellijk dat er geen bergen bestaan van waarop je de hele wereld kan zien.
En wij weten al helemaal geen raad met stenen die in brood veranderen en met een duivel die ons vastpakt en die ons neerzet op het dak van de tempel ...
Maar eigenlijk zijn die beelden niet meer dan een klein literair bultje dat door Bijbelwetenschappers heel vlug gladgestreken wordt.
De echte clou van het verhaal is dat wij het “de bekoringen van Jezus” noemen, terwijl het gaat om onze bekoringen, over hoe wij graag God en Jezus zouden willen zien. Over de neiging om van Jezus een absolute superman, een verbazingwekkende tovenaar te maken, die de massa met spectaculaire wonderen in vervoering brengt. De neiging om de Mens Jezus te willen verafgoden.
ONTKENNING
Over het ontkennen, het niet willen zien dat God echt mens geworden is, zich toonde in een echte mens, die kon lijden en sterven en die dat ook gedaan heeft.
Geloven in Jezus Christus is geloven in de verlossing, de bevrijding, de verrijzenis van de arme, de treurende, de gekwelde mens. Het is geloven in een God, die tegen de kwetsbare,gekwetste en gekruisigde mens zegt: jij bent mijn veelgeliefde, in wie ik welbehagen heb.
Om ons duidelijk te maken dat God echt begaan is met de ellende van mensen moest Jezus een mens zijn die zelf zowat alles moest meemaken wat mensen kan overkomen.
En nu zijn we helemaal aanbeland bij de grote vraag die bij elke vorm van ongeloof op de eerste rij staat en altijd weer terugkomt: als God zo liefdevol is, waarom heeft Hij de wereld dan niet anders gemaakt? Waarom is er al dat kwaad, waarom zijn er natuurrampen, waarom is er zoveel lijden, waarom moeten wij sterven ...?
Waarom heeft Hij de wereld zo gemaakt en waarom komt Hij weinig of niet tussen als er verschrikkelijke dingen gebeuren? Ik weet daar, uiteraard, niet zomaar een antwoord op.
TRUCJE
Maar ik kan je wel een handigheidje verklappen dat ikzelf altijd gebruik.
Ik zal nooit aan God denken als aan de “Schepper van hemel en aarde”.
En daardoor kan ik des te beter God ervaren in het leven. Als een ontzagwekkende kracht die het goede voor mij wil en die mij voortdurend helpt. Ook als mijn pad niet over rozen loopt en het leven van een mens heel lastig kan zijn, Hij is er!
En hoe minder je bezig bent met “hoe Hij zou moeten zijn”, hoe meer je gaat ervaren dat “Hij er is”. En dat Hij van je houdt.
En dat doet je goed en brengt je tot rust en geeft je kracht om je teweer te stellen en je in te zetten.
Dromen over hoe God “zou moeten zijn”, brengt je tot niets, versterkt alleen maar je ongeloof.
Zoeken in het leven naar God zoals je Hem ervaart, brengt je tot dankbaarheid en geloof.
Luc Thiry
VANUIT JE HART
Ik herinner mij nog levendig de godsdienstlessen die wij kregen op de lagere school. Het zijn levendige herinneringen, maar eigenlijk geen prettige.
Zowat alles wat plezant was, was meteen ook verdacht. Iemand zei daarover: “Alles was verboden, behalve wat mocht en dat was verplicht”.
Men maakte in de catechese gebruik van een heel moralistische en heel erg op het individu gerichte aanpak. Heel mijn kindertijd heb ik altijd gedacht dat godsdienst een kwestie was van “wat mag en wat niet mag”.
Voor wat warmte en begrip kon je altijd terecht bij “Onslievrouwke”. Maar dat God zelf pure liefde is, heeft niemand mij toen verteld.
Ik vermoed dat ik daarin niet de enige was.
WENDING
Op dit ogenblik heeft de Bijbelwetenschap en de theologie die daarop volgde ons toch wel heel andere inzichten en houdingen bijgebracht.
Maar zoals bij elke revolutionaire vernieuwing dreigt ook hier weer de mogelijkheid van overdrijving, eenzijdigheid en zelfs ontsporing.
Zijn wij op dit ogenblik ons geloof niet aan het verengen tot wat men vroeger noemde het doen van goede werken?
Wij spreken dan uiteraard niet meer over het “geven van aalmoezen”, maar wel – en heel gewichtig vaak – over “inzet voor de wereld” en “het ondersteunen van projecten voor armoedebestrijding”. En de aandacht en bezorgdheid van het christendom voor mensen die op welke manier dan ook beklagenswaardig zijn, is spreekwoordelijk en heeft in de bewustmaking – ook van de burgerlijke overheden – in heel de wereld een grote rol gespeeld.
JEZUS
Maar dat meeleven met de minderbedeelden, is één luik van Jezus’ leer.
Het werken aan jezelf, het komen tot inzet voor de ander vanuit je hart is een even belangrijk luik van Jezus’ leer. Christendom is meer dan geld geven, het is vooral: echt houden van mensen.
Jezus wil dat wij mensen, mannen en vrouwen zijn uit één stuk.
Die menen wat ze zeggen, die hun beloften houden en die goeddoen – niet omdat het zo hoort – maar uit liefde.
Het je strikt houden aan de wetten alleen, het zweren van dure eden, het maken van groot misbaar en het verzorgen van de show en het imago, het betekent allemaal niets als het niet van harte is. Sterker, het doet denken aan de middeleeuwse rijken, die de kathedralen bouwden met het geld dat ze kleine mensen onthielden.
Zoals die 19de-eeuwse fabrikanten, die hun arbeiders een hongerloon betaalden “want anders zuipen ze het toch maar op”. Dat die mensen hun ellende verdronken kwam niet bij hen op.
Onmenselijke sociale toestanden komen vaker voort uit onwetendheid, dan uit slechtheid.
Toen Vandervelde de eerste socialistische minister in ons land werd, kwam hij meteen met een wet die de jeneververkoop in cafés verbood.
Onder groot protest van de arbeiders, die zegden: “Nu hebben we eindelijk een socialist in de regering en het eerste wat hij doet is ons het plezier van de werkman afnemen”. Maar Vandervelde wist wat hij deed.
Zo is dat ook met God. Niet alles wat Hij van ons vraagt is “plezant”.
Maar het is wel voor ons goed.
DIEPERE GROND
En daarom is het van wezenlijk belang dat we ook werken aan onszelf.
En vooral dat we God toelaten om in ons te werken, ons te veranderen, ons liefde voor de ander bij te brengen. Zodat we verbinding en vriendschap met andere mensen zoeken, niet omdat het moet of uit angst of eigenbelang.
Maar omdat we van hen houden. Omdat we een hart voor hen hebben.
Luc Thiry
Gij zijt het ZOUT DER AARDE
Mt 5, 13-16
Jullie zijn het zout der aarde, het licht van de wereld.
Het is zeker geen aansporing tot meer bescheidenheid die we hier meekrijgen.
Jezus zegt hier in niet mis te verstane woorden dat zijn volgelingen de wereld en de mensen iets te bieden hebben en dat ze daar rond moeten voor uitkomen.
Licht dient om klaarheid in iemands leven te brengen en zout moet er pit en smaak aan geven. Je mag die gaven niet wegmoffelen, je moet ze kwistig gebruiken om het bestaan van je broers en zussen dieper, aangenamer en zinvoller te helpen maken.
Misschien dat wij in onze tijd de plicht om de naastenliefde te beoefenen te eenzijdig dreigen te vertalen in het bieden van materiële hulp of zelfs gewoon in het geven van wat geld.
Wij kunnen onze broers en zussen nog veel beter helpen door hun inzichten aan te reiken die het menselijk leven meer kleur en betekenis geven en die, precies daardoor, dat menselijk leven gelukkiger maken.
Wij moeten met andere woorden veel rondborstiger voor ons geloof uitkomen.
Niet om “zieltjes te winnen”, maar omdat ons geloof de kracht bezit om het leven van mensen zinvoller en gelukkiger te maken.
SCHARNIER
Voor mij is de geschiedenis van de mensheid pas goed op gang gekomen met de geboorte van Jezus Christus. Ik moet altijd een beetje glimlachen met de mensen die zeggen dat de geschiedenis begonnen is met de Verlichting. Nu ben ik wel de laatste om de verdiensten van de Verlichting te minimaliseren. Maar dan moet je wel willen inzien dat die Verlichting alleen maar denkbaar is binnen de christelijke cultuur. Het hele gebeuren was niets anders dan het onder het stof uithalen van christelijke principes die het kerkinstituut verwaarloosd had in haar zucht naar geld en macht. Principes als de heiligheid van de menselijke persoon, van elke menselijke persoon.
En ook vooral: de absolute prioriteit in aandacht en zorg voor juist de armen, de zieken, de eenzame mensen. De mensen die maatschappelijk niet meetellen, de mensen waarmee je als gevestigde burger liefst niet gezien wil worden.
Uit die Verlichting, toen de wetenschap zelfstandig werd en zich los van de kerk verder ontwikkelde, stamt de hardnekkige misvatting dat wetenschap en geloof niet te verzoenen zijn.
In deze tijd weten wij wel beter en zijn we erachter dat puur atheïsme ook wetenschappelijk heel onwaarschijnlijk geworden is.
ZOGENAAMDE VERDRAAGZAAMHEID
Er is in onze tijd echter een nog veel grotere struikelblok voor de verkondiging.
Het willen zout van de aarde zijn wordt tegenwoordig serieus tegengewerkt door onze overdreven en zelfs ziekelijke trekken aannemende “verdraagzaamheid”.
Wij hebben zo’n schrik gekregen om op de tenen van andersdenkenden te trappen dat wij op voorhand al ons terugtrekken in onze schelp, waardoor er van verkondiging gewoon geen sprake meer is.
Wij werken ons uit de naad om te doen geloven dat andere overtuigingen en godsdiensten eigenlijk hetzelfde zeggen als wij, en dat ze even waar en evenwaardig zijn.
En dat is gewoon onzin.
Beeld je even in: een mis-tekst, uitgaande van het bisdom, voor een katholieke school.
En aan het begin van de mis moet de priester zeggen: wie dat wil mag een kruisteken maken, maar dat moet niet, je vult dat maar zelf in zoals je dat verkiest. En dat allemaal voor de 1 of 2 moslimkindjes waarvan de ouders waarschijnlijk zelf behoorlijk open en breeddenkend zijn, want anders stuurden ze hun kinderen naar een andere school of ze vroegen dat hun kind niet mee naar de mis zou gaan.
Maar waarschijnlijk willen die ouders gewoon dat hun kind kennismaakt met de overheersende cultuur en godsdienst in Vlaanderen.
Wij moeten dan niet het beunhaasje uithangen. Want dat heeft niets met verdraagzaamheid te maken. Als ik naar een boeddhistische tempel ga, dan gaan de mensen daar toch ook niet beginnen zingen van “Te Lourdes op de bergen”, omdat er een katholiek aanwezig is.
ECHTE VERDRAAGZAAMHEID
Verdraagzaamheid, dat is wat Voltaire zei: “Iedereen heeft het recht een eigen mening te hebben. Ook mijn grootste tegenstanders. Ik ben zelfs bereid om mijn leven te geven voor het recht van iedereen om een andere mening te hebben dan ik”. Dát is verdraagzaamheid, en dat is heel wat anders dan onze eigen mening inslikken, ons geloof zodanig laten verwateren dat er bijna niets van overblijft.
“Gij zijt het zout der aarde”, zegt Jezus.
Laten we ons er dan ook naar gedragen. En in alle respect voor mensen die anders denken, onze eigen overtuiging met enthousiasme uitdragen.
Luc Thiry
OVER “ERFZONDE”
Ik heb ooit eens een afbeelding van een Oudgrieks mozaïek gezien met daarop een menselijk skelet, een geraamte en daaronder de cynische tekst: “Ken uzelf”.
De bedoeling ervan was onmiddellijk duidelijk: maak uzelf niets wijs. Dit is de mens, fragiel en gedoemd om te sterven, dit is het menselijk leven: twee keer niks.
Op een dag word je in het leven gesmeten. En over de omstandigheden, het hoe en het waarom van dat leven, of je oud zal worden of niet, gezond zal zijn of zwak, daarover heb je geen ene moer te vertellen.
Het enige wat je zeker weet, is dat je eens zal sterven.
En dan kom je natuurlijk uit bij de vraag wat de zin is van dat leven.
En via die vraag zit je dan onmiddellijk bij de godsvraag: “Is er iemand die mij gewild heeft, die een bedoeling heeft met mijn leven?”
Ons geloof antwoordt daarop volmondig “Ja”, maar zegt er ook onmiddellijk bij dat we vrij zijn om God te volgen of niet. Die vrijheid is het grootste liefdesgeschenk van onze God, maar tegelijkertijd is het ook een open kans om ons leven helemaal de vernieling in te draaien.
En hier komen wij dan bij dat mysterieuze begrip dat “erfzonde” heet.
Vroeger werd dat begrip onmiddellijk verbonden met seks. Men sprak dan van Eva, die “den appel aan Adam gegeven had”. En men keek mekaar dan betekenisvol aan en meestal was daar ook een knipoogje bij. En de rest mocht je zelf invullen.
Maar in werkelijkheid werd met dat begrip “erfzonde” of “oerzonde” aanvankelijk iets heel anders bedoeld.
ZELFVERHEERLIJKING
Als God ons geschapen heeft (hoe dan ook, volgens Genesis of volgens Darwin, maakt niet uit), dan is het voor ons zaak te weten wat de bedoeling van onze maker is en om ons daarnaar te voegen, daaraan dankbaar tegemoet te komen.
Erfzonde is niets anders dan de fundamentele neiging in iedere mens om “middenstander” te worden, een eigen zaak te beginnen, en zonder rekening te houden met de bedoeling van de Maker, voor zichzelf te beginnen werken.
Die erfzonde wordt ook de oerzonde genoemd omdat ze leidt naar zelfverheerlijking, naar zelf een bepaald soort god willen zijn, en aan de basis ligt van alles en iedereen ten dienste te stellen van zichzelf, van de eigen eer, macht en rijkdom, van het vernederen en uitbuiten, van moord en diefstal, van oorlog en discriminatie.
Het evangelie nu is één grote oproep om je tegen al die ellende te verzetten, om die ingeboren neiging geen kans te geven om zich te ontplooien.
En dan denk ik terug aan die Griekse mozaïek: “Ken uzelf”.
COMPENSATIE
Laten wij dat beetje dat we hier rond te lopen hebben, goed gebruiken.
Laten wij, in plaats van hier driftig van onze tak te maken, en alles naar ons toe te halen, proberen te leven op een zinvolle manier, d.w.z. op de manier waarop wij bedoeld zijn. De lezingen van vandaag hebben het weer uitdrukkelijk over de te volgen weg hierbij: eenvoudig leven, rechtvaardig, respectvol en in vrede omgaan met de andere mensen en met heel de schepping.
Goed beseffend – en dat is de kern van het Evangelie – dat we als mens pas echt zelf tot ontplooiing komen als we leren liefdevol omgaan met de anderen.
Omdat God zelf liefde is.
En ook omdat wijzelf ervaren dat liefdevol in het leven staan onszelf ook gelukkig maakt. Sterker nog, uiteindelijk besef je dat altijd alles naar je eigen persoon toehalen, niets anders is dan compensatie voor het gemis aan liefde in je leven.
Luc Thiry
HEEL ANDERE MANIER VAN LEVEN
1 Kor 1, 10-13.17
Ter gelegenheid van Kerstmis werd mij gevraagd om een korte bezinning te houden voor de mensen van Samana in Pellenberg.
Achteraf besef ik dat ik mij toch een beetje laten gaan heb. Ik kon het niet laten om erop te wijzen dat wij van het kerstfeest een hoogfeest van de commerce gemaakt hebben, van shoppen en eten en feesten, van jezelf verwennen en cadeautjes geven, niet aan de armen maar aan mensen die het evengoed hebben als wij, onze vrienden en onze familie.
Heel de kerstperiode lijkt wel één grote orgie geworden van bezoeken aan restaurants en traiteurs en aan Leonidas en Ici Paris XL en Bol.com …
En ik besloot met te zeggen: “Kerstmis vieren zoals wij dat tegenwoordig doen is eigenlijk onze tong uitsteken naar het kindje in de stal”.
En dat was natuurlijk wel kort door de bocht.
VOLKOMEN TERECHT
Want wij hebben immers het volste recht om Kerstmis met veel overtuiging te vieren. De geboorte te Bethlehem ligt aan de basis van ons geloof en van onze cultuur en onze beschaving.
Er zijn hier bij ons wel mensen die zo open en breeddenkend zijn dat ze een beetje ziek worden als ze een kerkklok horen. En die elke verwijzing naar iets “christelijks” willen ‘ausradieren’. In onze gedachten, in onze media en zelfs in ons geheugen.
Maar daar moeten wij niet aan toegeven. Wij hebben alle reden om Kerstmis te vieren. Temeer daar Kerstmis aan de basis ligt van onze hedendaagse wereldwijde gevoeligheid en zorg voor de mensen die ook vandaag nog in een stal geboren worden.
Maar - en hier komen we bij de lezing van Paulus vandaag - het is zeker ook zo dat je geen christen kan zijn “in schijfjes”. Zo van: vandaag denk ik alleen aan mezelf en haal ik alles naar me toe. Maar morgen zal ik een serieuze gift schenken aan een goed werk.
Dat kan natuurlijk niet.
OMKEREN
Het christendom wil dat wij ANDERE MENSEN WORDEN.
Mensen die beseffen dat het doel van ons leven als christen niets anders is dan nieuwe mensen te worden. Dat wij helemaal anders gaan leven, dat wij geloven dat liefde de ultieme kracht en het doel van ons leven is omdat God zelf liefde is.
En dat wij alleen maar tot echte menselijke ontplooiing komen als wij, met vallen en opstaan, liefdevolle mensen geworden zijn.
Als liefdevol, vredevol, vergevend en zorgdragend leven onze spontane manier van leven geworden is. Als egoïstisch en despotisch gedrag op voorhand al geen kans meer krijgt om ons leven te beheersen, dan beginnen wij christen te worden.
Geen periodieke “staaltjes van heiligheid” of “uitzonderlijk goed gedrag” dus, maar een manier van leven die wij van Jezus hebben en die de onze geworden is.
Onenigheid onder elkaar, ruzies en verdeeldheid, kan dus niet.
Haantjesgedrag, anderen misbruiken om zelf “iemand te zijn” al helemaal niet.
“Ziet eens hoe zij elkaar liefhebben”, zegden de oude Romeinen over de eerste christenen.
Ik denk niet dat het de bedoeling is dat wij allemaal verliefd worden op elkaar.
Maar we moeten elkaar wel allemaal graag zien.
Kijk gerust eens goed rond. Er valt zeker nog wat werk te doen.
Luc Thiry
LIEFDE VOOR MENSEN
Js 49, 3.5-6
Joh 1, 29-34
Wanneer Jezus aan zijn openbaar optreden begint, doet Hij dat met een plechtige beginselverklaring over wie Hij is en wat Hij van plan is te doen.
“De Geest van de Heer is over mij gekomen. Hij heeft mij gezalfd om aan de armen de blijde boodschap te brengen. Hij heeft mij gezonden om te genezen allen wier hart gebroken is, om de gevangenen vrijlating te melden, aan wie opgesloten is hun leven terug te geven.
Om een genadejaar van de Heer aan te kondigen.
Het gaat hier om een voorspelling van de profeet Jesaja, die Jezus op zichzelf toepast en waarvan Hij zegt dat ze in hem tot vervulling komt.
En inderdaad, heel het optreden van Jezus, zijn leer en de manier waarop Hijzelf in het leven staat, gaat helemaal over anderen liefdevol nabij zijn, om het helpen van mensen die het, hoe dan ook, moeilijk hebben.
JOHANNES
En de eerste die dat blijkbaar heel goed doorheeft en het onmiddellijk op zichzelf toepast is Johannes de Doper. Heel verwonderlijk eigenlijk hoe deze excentrieke verschijning die succes oogstte met angstaanjagende donderpreken, na het contact met Jezus helemaal veranderde en zijn eerste volgeling werd.
“Hij moet groter worden”, zei Johannes, “en ik kleiner”.
Waarmee hij aangaf dat hij de boodschap van Jezus heel goed begrepen had.
Het christendom gaat over de focus buiten jezelf leggen. Van een christen wordt verwacht dat zijn belangstelling en zijn inzet helemaal uitgaat naar de “anderen”.
Naar mensen die het moeilijk hebben in welke zin dan ook en die je hulp gebruiken kunnen.
Een christen is geen doetje, maar iemand van wie veel inzet en volgehouden strijd mag worden verwacht. Maar zijn strijd gaat niet tegen de “ongelovigen”, maar tegen zijn eigen egoïsme.
En dat is iets wat Johannes de Doper, heel verwonderlijk, goed begrepen had.
HERODES
Ik heb, eerlijk gezegd, Johannes altijd een wat rare figuur gevonden.
En ik verdacht er de eerste christenen van dat ze, door hem Jezus’ voorloper te noemen, zijn volgelingen binnenhaalden, volgelingen die verweesd achterbleven toen Salomé hem had laten vermoorden. Salomé was de dochter van Herodias, de bijzit van Herodes, die hevig gebeten was op de boetepredikant, en die haar kans schoon zag toen Salomé Herodus verleid had met een erotische dans.
Maar Johannes was dus blijkbaar echt een volgeling van Jezus geworden, die begrepen had dat het in het geloof van Jezus gaat om aandacht en zorg voor de “anderen”. Zorg voor zijn mensen, speciaal diegenen die aandacht om zorg kunnen gebruiken.
En hij begon radicaal naar Jezus te verwijzen en niet langer zijn eigen manier van leven te verkondigen. Dat moet een enorm offer voor hem geweest zijn. En juist dát tekent zijn ware grootheid.
En precies dat wordt ook van ons gevraagd. Zeker als wij zeggen dat wij christenen zijn en de leer van Jezus verkondigen.
OP JEZUS GELIJKEN
Het gaat hier om een heel belangrijk punt.
Al sinds mensenheugenis wordt godsdienstige overtuiging en inzet gemeten aan de bereidheid en de ijver in het bekeren van anderen.
Dat zou niet zo mogen zijn voor christenen.
Christenen zijn mensen die op de eerste plaats werken aan zichzelf. Die ernaar streven om in alles dichter te komen bij het leven van Jezus, die zich helemaal liet leiden door zijn liefde voor de mensen.
En die precies door die manier van leven, andere mensen voor zich won.
Van ons wordt niets anders verwacht.
Luc Thiry
GODS LIEFDE ONDERVINDEN
Js 42, 1-4.6-7
Mt 3, 13-17
Ik sta niet echt zot van het Oude Testament.
Omdat het zo door-en-door joods is en het universele van het evangelie van Jezus mist. Omdat het ook helemaal vol staat met politieke en militaire snoeverij. Omdat de God die erin opgevoerd wordt heel partijdig is, en vaak ook wraakzuchtig en meedogenloos.
En toch, als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat bij het lezen van die teksten ik vaak ook diep onder de indruk ben van de wondermooie poëzie waarin de mensenliefde van God beschreven wordt. Zoals in de tekst van Jesaja die wij vandaag gelezen hebben: “Het geknakte riet zal Hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven …”
Als ik, niet zelden door eigen schuld, mij in een toestand van twijfel of zelfs ontreddering bevind, zal God mij niet natrappen, mij niet nog een extra duwtje naar beneden geven. Hij zal mij integendeel willen rechttrekken, mij uit de put willen halen.
HAAT
De ervaring leert ons ook dat we die teksten niet te letterlijk moeten nemen, dat wij het niet te ver moeten gaan zoeken.
Als ik vroeger las: “Mijn ziel laat Gij niet aan het dodenrijk over”, dan dacht ik daarbij: God wil niet dat ik in de hel terechtkom, dat ik voor altijd en onherroepelijk verloren ga. Ondertussen weet ik dat die tekst doelt op iets wat veel dichterbij ligt.
Ik heb ooit eens aan iemand een tijdje hartsgrondig de pest gehad.
Echte haat. Haat waar je gaat mee slapen en waar je mee opstaat. Haat die je geen enkel moment nog gerust laat. Haat die als een monsterachtig koraalrif zichzelf opbouwt en uitbreidt met altijd nieuwe argumenten en nieuwe wraakgevoelens en die de oude eindeloos herhaalt en herkauwt.
Als je nog een klein beetje normaal bent, voel je dat die haat je alleen maar in schijn weerbaar en zelfs superieur maakt. Maar dat in werkelijkheid je er zelf helemaal aan kapotgaat. Je hele leven wordt aangevreten en verziekt door negativiteit.
En je beseft, als je gelovig bent, dat geen enkel geneesmiddel of psychologische truc je daaruit redden kan. Dat alleen God ervoor kan zorgen dat, zoals de Bijbel het noemt, je ziel niet aan het dodenrijk wordt overgelaten, dat je ziel niet moet sterven.
En dat Jezus wel heel concreet de “Redemptor hominis”, de Verlosser van de mens is.
Dat dit niet zomaar een titel is, maar iets wat je heel warm en deugddoend in je leven mag ervaren. De liefde van God voor ons, is meer dan een vrome gedachte.
Ze staat voortdurend klaar om ons te redden als we ons weer eens in nesten hebben gewerkt.
GEBORGENHEID
En wat dat laatste betreft, zou ik toch ook nog graag iets willen zeggen over ons gebed.
Niemand kan ontkennen dat bidden duizenden jaren lang hoofdzakelijk een vragen was om persoonlijke bescherming tegen alles wat ons bedreigde: ziekten, natuurrampen en oorlogen.
Tegenwoordig zijn onze gebeden ruimer geworden: wij bidden vooral voor andere mensen.
Het kinderlijke geborgenheid zoeken bij God zijn wij een beetje verleerd.
Onze gebeden zijn vaak zo “correct” en academisch opgesteld dat je je afvraagt of mensen zoals wij nog wel hulp nodig hebben. Het behoort tot de moderne canon van voortdurend te zeggen “dat wij het zelf moeten doen”.
Geborgenheid en hulp zoeken bij God lijkt bijna iets beneden onze waardigheid.
Maar ietsje minder mag ook. Wij zijn nog altijd heel kwetsbare en falende wezens.
Als God onze Vader is, mogen wij ons gerust gedragen als kinderen van Hem, die ons gewild heeft en die van ons houdt op een manier die wij niet eens onder woorden kunnen brengen.Dan mogen wij Hem in ieder geval vragen om te helpen als wij streven naar een leven dat zinvol en gelukkig is.
Een leven dat liefst ook nog een geschenk is voor andere mensen.
Luc Thiry
HEER VAN ARMOEZAAIERS ÉN VAN KONINGEN
Mt 2, 1-12
Met Kerstmis, het eerste openbaringsfeest, vieren we de geboorte van God in een mens die duidelijk niet alleen gekomen is voor de aanzienlijken, de rijken en de machtigen, maar die juist aandacht en zorg en liefde vraagt voor onaanzienlijken, armen, zieken en eenzamen. En om dat extra te benadrukken wordt Hijzelf geboren in een stal en wordt voor hem gezorgd door herders.
Herders waren geen boeren of eigenaars van schapen. Herders waren nog minder dan knechten. Ze leefden, aten en sliepen met hun dieren en ze roken er ook naar. Het romantische beeld dat wij van hen hebben klopt niet.
Herders werden gezien als uitschot. Gewone burgers wilden er liever niet mee gezien worden. En uitgerekend met dit soort mensen vereenzelvigde Jezus zich: “Alles wat gij voor een van deze kleinen doet”, zal Hij later zeggen, “hebt ge voor Mij gedaan”.
IDEOLOOG?
Maar Jezus is anderzijds ook geen politieke ideoloog, je kan hem nergens plaatsen op of tussen links en rechts. Onder zo’n hoedje kan je hem niet vangen. Hij is er voor elke mens. Hij zal later ook sterk bevriend zijn met vooraanstaande en gegoede burgers als de gezinnen van Lazarus en van Jozef van Arimathea.
En naast de herders zijn er vandaag trouwens ook de wijzen uit het Oosten met hun kamelen en hun rijkelijke geschenken.
Er zijn ook welgestelde mensen die Gods hulp heel erg nodig hebben, terwijl er ook mensen zijn, denk aan de beelden uit Afrika, mensen die maar ietsje meer hebben dan niets en die toch spontaan lachend door het leven gaan!
Bovendien trekt Jezus zich ook niets aan van het traditionele joodse supernationalisme. Het openbaringsfeest van vandaag met de niet-joodse wijzen, die hem eer brengen, benadrukt juist de universele zending van Jezus.
De drie wijzen zijn duidelijk mensen die de sterren bestuderen. Babyloniërs dus, heidenen die de wil van hun goden afleiden uit het gedrag van de sterren. Een gruwel voor de traditionele Joden. En ook zij, verwelkomen Jezus.
Later zal Paulus de maat helemaal vol maken.
GRIEKENLAND
Terwijl de apostelen en de eerste christenen allemaal Jood waren, zal Paulus, zelf een joodse rabbijn, doorstoten naar Griekenland en daar bekeringswerk verrichten. Dat hij dat daar deed was niet toevallig.
Griekenland en de Griekse way-of-life, “het Hellenisme”, was heel sterk in de mode die dagen, ook in het joodse land. En dat bekeringswerk van Paulus en zijn helpers had zo’n succes dat Griekenland, in die tijd de bakermat van de antieke godsdienst en cultuur, vandaag een van de diepst christelijke landen in de wereld is.
En een van de redenen van dat succes was dat die eerste missionarissen mordicus weigerden om van de heidenen eerst joden te maken en daarna christenen, wat o.a. de apostelen vroegen. De eerste christenen werden door de joden trouwens ook vervolgd omdat deze hen aanzagen als een ketterse joodse sekte, die het jodendom verraden had. Maar Jezus kwam voor elke mens, voor Grieken zowel als voor Joden.
Voor elke mens, ongeacht ras, taal of godsdienst.
En, als we dan de lijn doortrekken: ook voor mensen die geen christen zijn, ook voor mensen die niet geloven.
Christenen hebben een aparte godsdienst. En ook een aparte verantwoordelijkheid omdat ze weet hebben van God en van Jezus.
Maar ze zijn zich ervan bewust dat de liefde van God uitgaat naar elke mens.
Luc Thiry
Preken 2025
VANITAS VANITATUM
Pred. 1, 2; 2, 21-23
“IJdelheid der ijdelheden”, zegt Prediker, “Alles is ijdelheid”.
Nog beter in het gehoor ligt waarschijnlijk de Latijnse vertaling: “Vanitas vanitatum, omnia vanitas”. In de Hebreeuwse basistekst heet dat: “Havel havalim, kahol havel”.
Het woord ijdelheid is dus niet echt een goede vertaling omdat het in onze taal de betekenis heeft van protserigheid, uit zijn op complimentjes.
Terwijl het Hebreeuwse “havel” slaat op het beetje lucht dat wij uitademen en dat zichtbaar wordt in een koude omgeving. Een beetje lucht dus, zo goed als niets, vluchtig, niks blijvends, waardeloos dus. . .
En volgens Prediker slaat dat op al ons tobben en wroeten om toch maar zoveel mogelijk rijkdom te verwerven met het oog op het genieten ervan in je oude dag. Maar. . . misschien komt die oude dag nooit. Misschien sterf je wel—zoals de man in het evangelie—eer het zover is.
En dan komt het resultaat van je levenslang gezwoeg in handen van een erfgenaam die misschien maar 1 dag nodig heeft om alles erdoor te jagen.
Waartoe hebben al dat werk, al die zorgen en vooral het levenslange opschorten van het genieten van je werk dan gediend!?
ZINLOOS
Prediker is een wat speciale figuur. Je kan stellen dat hij dichter bij onze huidige mentaliteit staat dan bij die van het Oude Testament.
Hij relativeert zowat alles. Hij is wel overtuigd dat ziekte en ongeluk geen straf van God zijn en dat gelukkig-zijn geen beloning is voor een goed leven.
Het enige wat wij volgens Prediker moeten doen is respect hebben voor God en voor wat God wil. Maar hier knelt juist het schoentje: Prediker is zelf de eerste om te zeggen dat wij niet weten wat God wil. God is onkenbaar en onbegrijpelijk voor ons.
Het enige wat wij dus kunnen doen, nog steeds volgens Prediker, is proberen toch een beetje te genieten van de eenvoudige dingen van het leven.
Maar voor de rest vooral niet te vlug denken dat wij weten hoe wij juist moeten leven. Wij moeten onszelf niets inbeelden. God is meester over het leven.
En Hij beslist over alles. Wij weten niet hoe en waarom. Je kent die uitdrukking wel: “God gaat via mysterieuze wegen” en “Hij schrijft recht op kromme lijnen”.
Veel inzicht voor ons is er dus niet. En dus komt het voor Prediker wat magertjes neer op: “Probeer een beetje te genieten van de kleine mooie dingen van het leven”.
Het is niet echt een pessimistische visie, maar het scheelt toch niet veel.
JEZUS
Heel anders wordt dat bij Jezus. Jezus geeft ons wel duidelijke richtlijnen.
Geen gedetailleerde wetten en regels, maar wel handige richtingwijzers.
Het hoofdprincipe bij Hem is: leg het doel van je leven en bezigzijn buiten jezelf.
Open je ogen, je oren en je hart voor de anderen en voor. . . De Andere.
De voorbije zondagslezingen en eigenlijk het hele evangelie gaan daarover.
De Barmhartige Samaritaan, Martha en Maria, het aanleren van het Onzevader . . .
Alles ademt dezelfde Boodschap: stap af van de zorg voor je eigen persoontje, het altijd maar bezig zijn met jezelf, met alles wat je welstand en het genieten ervan doet toenemen.
En hou op met in die dingen je levensgeluk te zoeken. Zou levensgeluk niet meer te maken hebben met voelen en weten dat je ZINVOL leeft. En dat zinvol leven vind je alleen door de focus van je handelen buiten jezelf te leggen.
Door je te richten naar wat God van je wil en dus op wat je kan betekenen voor anderen.
HARMONIE
En daarmee is niet alleen een antwoord gegeven op de toch wel belangrijke vraag van gelovigen naar wat God van ons wil. Maar tegelijk wordt hier de kern, het basisprincipe zelf van het christelijk geloof, blootgelegd.
Leven in harmonie met God kan je alleen maar door te leven in harmonie met zijn mensen en met heel de schepping. Alleen als je daarin slaagt zal je je leven als zinvol ervaren en zal je ook echt gelukkig zijn.
Soms denk ik—ook uit eigen ervaring—dat het tomeloos najagen van genot en plezier, niets anders is dan het zoeken naar een troostprijs voor het feit dat je niet gelukkig bent.
Het droef makende besef dat je niet gelukkig bent, daar begint het.
En dát probeer je dan te compenseren met het jagen naar genot.
Een gelukkig en als zinvol ervaren leven is een leven dat zich inzet voor anderen.
Omdat zo’n leven overeenkomt met wat je wil in het diepste van jezelf.
Daar mag dan gerust wat slagroom bij.
Maar het is niet de slagroom die je gelukkig maakt.
RELATIE MET GOD
Heb. 11, 1-2, 8-19
“Het geloof”, zegt Paulus, “is een vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen”.
En dan geeft hij een aantal voorbeelden van wat grote mannen uit ons verleden hebben gedaan omwille van hun geloof. Maar het is goed het onderscheid te blijven zien tussen het geloof zelf, de inhoud van dat geloof, datgene waarin men precies gelooft enerzijds en de houding, de actie die er een gevolg van is.
Ook in onze tijd is het geen overbodige luxe te blijven zien dat er een duidelijk onderscheid is tussen wat men nu precies gelooft, en de morele consequenties die daaruit voortvloeien.
Als christenen zich inzetten voor vrede en rechtvaardigheid dan is dat de consequentie, het gevolg van hun geloof dat God houdt van elke mens en dat Hij mensen wil nodig hebben om zijn liefde gestalte te geven.
WORDEND
God is niet de Almachtige “Onbeweeglijke Beweger”, Hij is geen theater-god die alles volmaakt heeft gemaakt en die wat toch nog misloopt, onmiddellijk kan fiksen.
Neen, de wereld is gewoon onaf, onvolmaakt, hij is nog altijd “wordend”, “in wording”. En God wil ons nodig hebben om zijn liefde uit te dragen, zijn koninkrijk van vrede en rechtvaardigheid en geluk tot stand te brengen.
Die God, die onuitsprekelijke God, die wij nooit gezien hebben, die wil dus met ons een relatie aangaan.
Die spreekt tot ons via profeten, via gebeurtenissen, of rechtstreeks in ons hart.
Dat is ons geloof. Wij geloven in een God die onnoemelijk veel houdt van ieder van ons. En die ons niet alleen vol liefde in het leven gewild heeft maar die ook nu nog grote dingen aan ons doet, als wij er maar oog en oor en hart naar hebben.
ANTWOORD
Een God die ook een antwoord van ons verwacht, een dankbaar antwoord op wat Hij met mensen voorheeft. En dat antwoord van ons is ons moreel handelen dat helemaal in de lijn wil liggen van Gods liefde voor de mensen.
Maar dat morele handelen van ons is—nog eens—niet ons geloof zelf maar het gevolg ervan. Ons geloof zelf betreft de opvatting dat God wil dat wij even sterk van elkaar houden als Hij van ons houdt. En Hij wil ons daartoe voortdurend uitnodigen. Hij wil niets opdringen. Niets is zo in strijd met de liefde, als de geliefde iets opdringen. En daarom zoekt Hij ook contact met ons, op duizend verschillende manieren, maar zelden onontkoombaar.
GEVOLGEN
Maar de tact waarmee God te werk gaat, wil hoegenaamd niet zeggen dat onwil of geen interesse van onze kant geen gevolgen zou hebben.
Ons geloof zegt immers ook dat God zoveel van ons houdt dat Hij ons uiteindelijk wil opnemen in zijn eigen leven om voor eeuwig gelukkig te zijn bij Hem.
En precies daarom doet Jezus zoveel inspanningen om ons voortdurend op het hart te drukken: wees waakzaam. Verspeel je kansen niet. Sta klaar als God aanklopt. Niet alleen op het ultieme moment voor je dood, maar heel je leven lang, telkens als Hij zich laat voelen en om een antwoord vraagt.
Ook als je niet meteen een geweldig antwoord kan geven op zijn vraag, luister dan tenminste met dankbare eerbied, alleen al omdat je beseft dat het GOD is die contact met je zoekt.
WERELDSE RECHTVAARDIGHEID EN CHRISTELIJKE GERECHTIGHEID
Lc 12, 49-53
“Vuur ben ik op aarde komen brengen”, zegt Jezus. “Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen, juist verdeeldheid.”
Jezus verheugt zich daar uiteraard niet over, maar Hij is realistisch genoeg om te beseffen dat zijn Boodschap niet alleen instemming zal oogsten, maar ook veel tegenkanting zal oproepen. Dat zijn woorden verdeeldheid zullen brengen.
Maar Hij wil wel dat we kiezen. Elders zegt Hij tegen Petrus: “Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen. En wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn.”
Het zijn adembenemende woorden, die niet alleen op instemming moeten rekenen en je houdt al onmiddellijk je hart vast als je beseft tot welk een verkeerde interpretatie ze aanleiding kunnen geven.
Het is ook niet verwonderlijk dat de triomferende Kerk in de tijd van de barok deze woorden in gouden letters geschreven heeft in de koepel van de Sint-Pietersbasiliek in Rome.
Want ze kunnen natuurlijk heel dienstbaar zijn voor allerlei erg wereldse aspiraties van de Kerk en haar leiders. En ze zijn inderdaad ook vaak daarvoor gebruikt. Je moest daar zelfs niet lang op wachten.
MACHTSDENKEN
Al in de eerste geschriften, de Handelingen van de Apostelen, staat er iets wat de lezer koude rillingen kan bezorgen.
Het gaat over de nochtans prijzenswaardige beslissing van de Kerk van Jeruzalem, de groep rond de Apostelen, om de nieuwe christenen die uit het heidendom kwamen niet te belasten met allerlei typisch joodse voorschriften en gebruiken. Prima natuurlijk, het wijst op doorzicht en mildheid in de beleidsvoering. Maar de manier waarop dit wordt aangekondigd!!!
De brief van de Kerk van Jeruzalem aan de nieuwe christenen van Antiochië, Syrië, Cilicië, begint letterlijk met: “DE HEILIGE GEEST EN WIJ HEBBEN BESLOTEN …”
Toen ik dat voor het eerst las, dacht ik onmiddellijk aan een soort voorafschaduwing van de latere inquisitie. Filosofieën en godsdiensten die een enorme inpakt hebben op het leven van mensen moeten er bijzonder veel zorg aan besteden om niet in de valkuil van het machtsdenken te trappen.
Ik geloof vast dat de Kerk zelf een sacrament is. Dat zij geroepen is om het lichaam van Christus op aarde te zijn. En dat ze daar regelmatig ook in slaagt.
Toen ik jong was, sprak men zelfs over “onze Moeder de H. Kerk” en als klein jongetje heb ik dat altijd ook zo ervaren. Midden in een erg grijze wereld was de Kerk met haar kleurrijke en fascinerende liturgie, haar lieve nonnetjes en een paar erg goeie priesters die we hadden, een oase en een lichtpunt.
Ik weet ook wel dat andere mensen andere ervaringen gehad hebben, maar ik moet daarom nog niet mijn eigen lieve herinneringen wegdrukken.
Niettemin vind ik de formulering “de H. Geest en wij hebben besloten”, echt niet kunnen.
De Kerk mag nooit de indruk willen wekken dat wat zij beslist ook automatisch Godsbeslissing is en door Hem als vanzelfsprekend wordt bekrachtigd.
GERECHTIGHEID
Wat voor de Kerk en van de christenen wordt verwacht is niet dat ze de wereld besturen maar dat ze overal Gods gerechtigheid laten heersen.
En die goddelijke gerechtigheid is iets heel anders, soms zelfs het tegendeel van onze aardse rechtvaardigheid.
Goddelijke (en dus ook christelijke) gerechtigheid dat is niet “iedereen evenveel”. Want dat is “gewone” rechtvaardigheid.
Gerechtigheid dat is wat onze goede paus Franciscus zo sterk heeft gepropageerd en ook zelf beleefd. Dat is: van alles wat je te verdelen hebt aan geld, tijd, aandacht en genegenheid, veruit het meeste te geven aan hen die dat het meest nodig hebben. Zonder de anderen te vergeten.
Wanneer de ouder wordende Paulus zijn gevangenneming en dood voor ogen ziet, dan is hij duidelijk niet uit op een of andere ereplaats in de hemel.
Hij zegt (in zijn brief aan Timotheüs): “Thans wacht mij de kroon der gerechtigheid”. Hij heeft immers mét het geloof ook de smaak voor de hemelse gerechtigheid verspreid.
En dan die geheimzinnige zin: “Hij heeft mij verlost uit de muil van de leeuw”.
Wie is die leeuw? De keizer in Rome of enige wereldse of “geestelijke” machthebber? Neen! Het is de leeuw in ons.
De leeuw die ons belet tot gerechtigheid te komen is een leeuw die brult in het binnenste van ieder van ons. De leeuw die moet overwonnen en geketend worden is onze ik-gerichtheid, ons egoïsme.
In tegenstelling tot de echte leeuw, de koning der dieren, is onze eigen brullende leeuw een ondier dat ons naar beneden trekt en ons voortdurend ervan afhoudt boven onszelf uit te stijgen in het doen van gerechtigheid.
Als wij voor iets bidden, laat het dan bidden zijn om daarvan verlost te worden.
Luc Thiry
IEDER ZIJN VRACHTJE
Sir 3, 17-18.20.28-29 / Lc 14, 1-7
“Voor de kwaal van een hoogmoedige is er geen genezing”, zegt het boek Ecclesiasticus, “want het kwaad wortelt in zijn hart”.
En daarmee is de toon gezet voor de lezingen van deze zondag.
Ecclesiasticus gebruikt hier terecht het woord genezing want het gaat hier inderdaad om een ziekte. Een hoogmoedig mens is iemand die zich belangrijker vindt dan de andere mensen, en die dat verschil ook graag onder de aandacht wil brengen. Waardoor hij zich ook voortdurend aanstelt en op de lachspieren van zijn omgeving werkt.
Schrijvers als Molière en acteurs als Louis de Funès zijn met hun creaties van hoogmoedige typetjes onsterfelijk geworden.
Hoogmoed heeft altijd ook te maken met waan, met inbeelding.
Mensen die echt veel betekenen, die echt belangrijk zijn, zijn meestal intelligent genoeg om bescheiden te blijven.
Dat hoogmoed vaak potsierlijk is, wil echter niet zeggen dat het ongevaarlijk is.
Hoogmoed kan huwelijken op de klippen jagen, jarenlange vriendschappen doen uitdoven en zelfs landen tot het voeren van oorlog verleiden.
Hoe lachwekkend hoogmoed ook kan overkomen, ongevaarlijk is het zeker niet.
Minachting
Hoogmoed heeft niet direct te maken met moord en doodslag, maar toch is het één van de meest onchristelijke ondeugden van allemaal.
Omdat ze per definitie neerkijkt op andere mensen. Omdat ze andere mensen in vergelijking met zichzelf maar niets vindt.
En dat is meer dan een onschuldig mankementje. Dat is de totale en radicale ontkenning van de kern van het christelijk geloof. Het is minachting voor andere mensen, daar waar het christelijk geloof staat voor de liefde voor de naaste.
Iemand die hoogmoedig is en toch ook gelovig, zou dan eventueel nog kunnen bidden zoals de farizeeër in het evangelie: “Heer, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen: bedriegers, dieven en echtbrekers …”
Maar ik denk niet dat er in de hemel iemand zal zijn die daar onder de indruk van is.
Een zekere bescheidenheid zal de gelovige dus niet misstaan.
Ieder van ons heeft zijn eigen vrachtje te dragen. En daarom zou het goed zijn om ieder gebed te beginnen met vergeving vragen voor wat er misliep in ons leven. Zelfkennis en de bescheidenheid die daar het gevolg van is, is niet alleen het begin van wijsheid, het is ook de weg naar echte vroomheid en naar vrede.
Luc Thiry
OVER LEVENSGELUK
Lc 14, 25-33
Soms gebruikt Jezus woorden en uitdrukkingen die in hun radicaliteit ronduit schokkend zijn. Ik heb er al vaker op gewezen dat het dan gaat om een stijlfiguur die schrijvers en redenaars gebruiken om extra aandacht te vragen voor standpunten die ze heel belangrijk vinden.
Ze gebruiken dan bewust overdrijvingen, die je uiteraard niet letterlijk moet nemen.
Als Jezus zegt: “Wie zijn vader of moeder, zijn vrouw en zijn kinderen niet haat, kan mijn leerling niet zijn”, dan wil Hij natuurlijk niet breken met het oude gebod van “Eer uw vader en uw moeder”.
Het is gewoon een zodanig controversiële manier van spreken dat je onmiddellijk beseft: wat nu gaat volgen is van het allergrootste belang.
En dat is het inderdaad. Niet minder dan één van de kernbegrippen van het christelijk geloof wordt hier uit de doeken gedaan. Waar gaat het over?
Krachten
In ieder van ons zijn er grosso modo twee stuwende en elkaar tegenwerkende krachten aanwezig.
De ene stuwt naar buiten, naar de anderen toe en staat positief op die anderen gericht. Ze streeft naar harmonie en vrede, naar verbondenheid en nabijheid en liefde.
De andere trekt naar binnen, is heel egoïstisch van aard. Is alleen maar bekommerd voor de instandhouding en het bevorderen van het eigen ik.
Die laatstgenoemde kracht heeft op zich haar verdienste, dat moeten we eerlijk toegeven. Ze is vaak sterker dan onszelf maar ze heeft vanaf de oertijd onze soort triomfantelijk gebracht van het eerste oerslijm tot wie we nu zijn.
Maar nu zijn we in een hele nieuwe periode van onze ontwikkeling als mens gekomen.
Wij hebben het niet langer nodig om alles en iedereen die onze ontwikkeling in de weg staat, uit de weg te ruimen. Wij zijn geen holbewoners meer.
Wij komen dichter bij God en bij de mensen. En Jezus speelt daar helemaal op in.
Dankzij Hem hebben wij ontdekt dat wij pas echt tot leven komen als er liefde is in ons leven, als wij goed zijn voor anderen, als wij vergevend, zorgend en elkaar bemoedigend in het leven staan.
Dat is de kern van Jezus’ boodschap.
Zinvol
Onze egoïstische neigingen moeten wij onder controle krijgen en ze minstens een aanvaardbare rol geven. Maar we mogen ze in ieder geval nooit onderschatten. De neiging om altijd en op de eerste plaats voor onszelf te zorgen maakt ons ondertussen zeker niet gelukkig, hoezeer ze dat ook belooft.
Als je er ook maar enigszins in slaagt, al was het maar af en toe, Jezus’ weg van de liefde te bewandelen, merk je dat die weg niet alleen de anderen maar ook jezelf gelukkig maakt.
Maar onderschat de kracht, die oerkracht van het egoïsme niet, zegt Jezus.
Als je de weg van Jezus wil volgen, zal je dat met overleg moeten doen, weldoordacht en met behoorlijk veel wilskracht.
Maar het loont de moeite.
Als je erin slaagt, en in de mate dát je erin slaagt - soms maar af en toe en gedeeltelijk - wacht je het geluk van een leven dat je zelf als zinvol ervaart en dat ook betekenis heeft voor anderen.
En, eerlijk, meer kan een mens toch niet wensen.
Luc Thiry
BIJBELSE ECONOMIE
Lc 16, 1-13
De parabel van de onrechtvaardige rentmeester is zeker geen gemakkelijk stukje met een klare en voor-de-hand-liggende betekenis. Je moet eerst wat graafwerk verrichten want op het eerste gezicht lijkt het wel of Jezus het financieel geknoei en gemanipuleer van de mangoedkeurt en het zelfs prijst.
Maar je weet dat dit niet kan omdat het helemaal in tegenspraak zou zijn met zijn leer over het eerlijk en liefdevol omgaan met elkaar.
Aan het eind van de evangelielezing van vandaag zegt Jezus ronduit: “Je kan niet God dienen en de mammon.” M.a.w. als je christen bent kan het niet dat je hele leven draait rond het verzamelen van rijkdom en geld.
Zeker niet als dat alleen maar is om je aanzien en macht te verhogen en jezelf te vertroetelen.
RENTE
Die afkeer voor de mammon was zelfs zo sterk dat christenen en (aanvankelijk ook) de joden, bepaalden dat je geen rente mocht vragen als iemand geld nodig had. Je mocht geen geld vragen voor geld. Het woord “rente” bestond niet eens. Men noemde dat “woeker”.
In de middeleeuwen bleek echter dat ook de christelijke vorsten (en bisschoppen) geld nodig hadden om de kosten van wegenwerken, gebouwen en legers te dragen.
En wie leent er nu grote sommen uit als er geen compensatie mag voor gevraagd worden?
De joden lieten die wet dan maar vallen. En zo komt het dat in de christelijke wereld de joden, t.t.z. de Fuggers, de Rothschilds de grote bankiers werden.
Toch de moeite om even stil te staan bij het feit dat oorspronkelijk 2 grote beschavingen, de joodse en de christelijke (en ik meen ook de Griekse) het vragen van intrest bestempelden als woeker, als iets onbetamelijks.
Terwijl een van de grondslagen van onze huidige economie gevestigd is op het verkrijgen van intresten en dividenden.
JUIST GEBRUIK
Even terug nu naar onze parabel.
Jezus prijst in de onrechtvaardige rentmeester dat hij met overleg en verstand te werk is gegaan. En dat wekt uiteraard wel verbazing.
Maar dan komt het: “Want de kinderen van deze wereld handelen onderling met meer overleg dan de kinderen van het licht”.
Nu kan ik mij onmogelijk voorstellen dat Jezus geen gevoel voor humor had en ook een zekere hang naar overdrijving om de aandacht op iets te vestigen was hem niet vreemd. Maar je kan hem zeker geen sarcasme of cynisme in de schoenen schuiven. Zijn uitspraak kan dus alleen maar geïnterpreteerd worden als een oproep aan zijn volgelingen, even creatief en schrander en doortastend te werk te gaan als de kinderen van de wereld dit doen als ze bezig zijn met hun activiteiten die het daglicht liever niet zien.
Je mag als christen niet je leven doorbrengen alleen maar met het vergaren en vermeerderen van je bezit, je aanzien en je macht.
Maar als die dingen je door je afkomst, je werk of door het lot in de schoot geworpen worden, gebruik ze dan even creatief en schrander en doortastend om goed te doen. Om mensen te helpen.
Om het Koninkrijk dichterbij te brengen. Het is net zoals met de talenten die je van bij je geboorte hebt meegekregen. Gebruik ze, niet alleen voor je eigen plezier, maar gebruik ze om de wereld mooier en beter te maken.
En maak het leven van mensen die het vaak zo moeilijk hebben, aangenamer en waard om geleefd te worden.
Luc Thiry
OVER HET BRENGEN VAN OFFERS
Lc 16, 19-31
Ik ga me niet inspannen om op 25 verschillende manieren aan te tonen hoe arm de arme Lazarus wel was, en hoe weerzinwekkend verkeerd de rijke vrek.
Laten we het liever hebben over iets wat ons vandaag direct aangaat. Het feit namelijk dat ook van ons, kinderen van de welvaart, die noch arm, noch vrekkig zijn, gevraagd wordt om regelmatig een offer te brengen. Ook al is het woord “offer” voor hedendaagse christenen een verdacht woord geworden.
Dat laatste heeft zijn historische gronden.
De oude tempel van Jeruzalem moet een indrukwekkend gebouw geweest zijn.
Imposant, niet alleen door de reusachtige afmetingen, maar ook door de kostbare materialen die ervoor gebruikt waren: edelmetalen, dure houtsoorten en een overvloed aan edelstenen en kostbare stoffen.
Veel minder aantrekkelijk, tenminste voor hedendaagse ogen en oren en neuzen, was dan weer de immense offerkuil van de tempel. Een kuil waarin dag en nacht een hels vuur brandend werd gehouden en waarin voortdurend dieren werden gegooid, als offer voor God.
PAULUS
Het hoeft geen betoog dat het christendom deze verschrikkelijke praktijk onmiddellijk heeft afgeschaft. Omdat de eerste christenen allemaal joden waren, heeft men voor hen de pil wat willen vergulden door te stellen dat Christus met de kruisdood het ultieme offer heeft gebracht en dat Hij, precies daardoor, alle andere offers overbodig heeft gemaakt.
O.a. de apostel Paulus, die van origine zelf een joodse wetgeleerde was, heeft aardig zijn best gedaan om die idee bij de leerlingen ingang te doen vinden.
Met het onbedoelde gevolg dat wij in onze tijd met het nare gevoel kunnen zitten dat God dan blijkbaar toch op offers gesteld is. Als het geen offers van dieren zijn, dan toch het offer van zijn eigen Zoon. Is dat niet een nogal wreedaardige kant van een God van wie wij geloven dat Hij pure liefde is?
En dat kan natuurlijk niet want als dat zo is dan zou de Christelijke Boodschap in tegenspraak zijn met zichzelf.
VERTROUWEN
Ik denk dus dat hier 2 begrippen wat nader omschreven en uitgeklaard moeten worden: “geloof” en “offer”. Ik ben geen theoloog, maar juist daarom kan ik proberen om daar in gewone mensentaal iets over te zeggen.
“Geloof” is voor een christen een ander woord voor “vertrouwen”. Het geloof van een christen is niet op de eerste plaats een geheel van opvattingen en “waarheden” waarvan hij gelooft dat ze “juist” zijn.
Geloof heeft voor een christen op de eerste plaats te maken met vertrouwen op (de liefde van) God. Als wij geloven in het leven na de dood, dan is dat niet zozeer een soort dogmatische overtuiging, maar gaat het om een diep vertrouwen dat God zodanig van ons houdt dat Hij ons nooit laat vallen, ook niet als wij sterven.
In dat geloof, in dat onverwoestbaar vertrouwen is Jezus zelf ook de dood ingegaan.
En zo zijn we onmiddellijk ook bij het “offer”.
Jezus´ dood was wel degelijk een offer dat Hij bracht. Het had ook anders gekund. Hij had zijn eigen woorden kunnen afzwakken. Hij had kunnen vluchten of Hij had met zijn volgelingen gewapend verzet kunnen plegen. In plaats van dat alles ging Hij vrijwillig de dood in zoals “een schaap dat naar de slachtbank wordt geleid”.
Duidelijk een offer dat Hij bracht, en wat voor één. Maar offer is voor een christen dus geen vies woord.
MENSELIJK SAMENLEVEN
Als je een hemel op aarde wil, als je tussen mensen vriendschap, vrede en rechtvaardigheid wil, als je tussen mensen vergeving en liefde en nabijheid wil, dan moet je voortdurend strijden tegen je eigen egoïsme. En ook al zijn je neigingen tot driftbuien, hoogmoed en hebzucht niet buitensporig ... je zit ermee, ieder van ons zit ermee.
En je moet als christen die dingen offeren op het altaar van een menselijker samenleven.
En dat kan pijn doen en als een echt offer ervaren worden. Maar zo’n offer is nodig, niet omdat God een wreedaardig trekje zou hebben, maar omdat wij nooit tot een menselijker samenleving kunnen komen zonder die oerkracht van onze instandhoudingsdrang en ons egoïsme te beteugelen.
Wij volgen God-die-liefde-is als wij alles wat in ons de liefde tegenwerkt, opofferen. Daar gestaag aan werken, stapje voor stapje.
Geen wereldschokkend offer wordt van ons verwacht. Wel dagelijkse vooruitgang op de weg naar het liefdevol samenleven met de anderen ... en met God.
Luc Thiry
VERTROUWEN
Lc 17, 5-10
Als ik spreek over het geloof met leeftijdsgenoten of met mensen die nog ouder zijn, dan hebben die het heel vaak over de moeite die ze hebben of gehad hebben met bepaalde geloofspunten, opvattingen of geloofspraktijken van vroeger. Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld ook nooit erg opgelopen met wat men vroeger noemde de “leer der verdiensten”.
Je moet je dat ongeveer zo voorstellen: binnen de Kerk waren er een aantal voortreffelijke mensen, heiligen, missionarissen, martelaren enz., die enorm verdiensten hadden voor Kerk en Geloof. Mensen die zo uitzonderlijk goed leefden dat ze veel meer verdiensten opbouwden dan ze zelf “nodig hadden” om in de hemel te komen.
En die verdiensten kwamen dan terecht in “de schat van de Kerk”.
En mensen die er zelf niet veel van terecht brachten, die konden dan naar believen putten uit die verdiensten van anderen.
Ik heb nooit hoog opgelopen met die opvatting en kon het ook nooit laten om er de draak mee te steken.
Maar als mensen mij zeggen over de moeite die ze hebben met geloofsopvattingen die ze meekregen in hun jeugd, dan gaat het vaak over heel andere dingen.
ERNSTIGE TWIJFELS
Als je er wat dieper op ingaat dan blijkt heel vaak dat het geloof in belangrijker zaken averij heeft opgelopen. Dat ze bijvoorbeeld moeite hebben met te geloven dat God liefde is “als er zoveel kwaad gebeurt, als er zoveel kwaad in de schepping zit”.
Of het lijkt er sterk op dat hun geloof in het bestaan van God zelf serieus aan twijfel onderhevig is. En dat is natuurlijk iets heel anders.
Misschien is het goed om nog eens duidelijk te stellen dat christelijk geloof niets te maken heeft met wiskundige formules en logische bewijsvoering, maar alles met VERTROUWEN.
Je vertrouwt erop dat de God die Jezus ons leren kennen heeft, niet alleen wel degelijk bestaat, maar dat Hij ook helemaal is zoals Jezus ons Hem leren kennen heeft. Als liefdevol en oneindig met ons begaan. Als een God die er alles aan wil doen om ons in zijn eigen (eeuwig) leven op te nemen.
Maar dan moeten wij ons van onze kant ook neerleggen bij een aantal feiten.
En één daarvan is dat God volkomen SOEVEREIN is.
Hij is dus nooit verplicht om dit of dat te doen of om zus of zo te handelen, omdat wij enig recht op Hem zouden hebben opgebouwd.
En precies daarover heeft Jezus het in het evangelie van vandaag.
JEZUS
Wat Jezus ons leert is: vertrouw helemaal op God.
Maar probeer Hem niet te dicteren wat Hij moet doen.
En al helemaal niet omdat Hij ons dankbaar zou moeten zijn om wat we gezegd of gedaan hebben.
Als wij doen wat Hij van ons verlangt, dan bouwen wij geen rechten bij Hem op, dan verplichten wij God tot niets. Hij is God. Wij niet.
Wij kunnen alleen maar dankbaar zijn dat wij gronden hebben om te geloven dat Hij wel degelijk de God is die Jezus ons leren kennen heeft: een liefdevolle Vader. En dat wij zijn kinderen zijn.
Luc Thiry
DANKBAAR ZIJN
Lucas 17, 11-19
Soms laten mensen je hun beide handen zien en ze zeggen daarbij dan heel snoeverig: “Aan deze twee heb ik alles te danken, mijnheer”. Ik heb altijd alles zelf gedaan. Ik moet tegen niemand “merci” zeggen.
En dat is natuurlijk een uitspraak die gigantisch belachelijk is en ontstellend onwaar. Mensen zijn, als ze op de wereld komen, de meest hulpeloze wezens van heel de kosmos. Alles wat wij met de tijd kennen en kunnen, organiseren en beheersen, leren wij van anderen. Of het is ons meegegeven met de genen van onze voorouders. Onze eigen inbreng begint pas bij het werken met de kennis en de handigheden die we gekregen hebben van anderen.
ANGST
Maar vanwaar dan die buitensporige angst om anderen dankbaar te (moeten) zijn?
Ik denk dat daar eigenlijk een eenvoudige verklaring voor is.
Als iemand echt goed voor je geweest is, veel voor je betekend heeft, dan ben je gewoon geneigd om dankbaar te zijn. En je voelt dat zo ook aan.
De afstand naar je verplicht voelen om dankbaar te zijn, is dan helemaal niet groot meer. En dat kan heel raar uitwerken.
Want het gevoel bij iemand anders in het krijt te staan, dankbaar te moeten zijn voor een weldaad u bewezen, is helemaal niet fijn.
En de menselijke geest is uiterst vindingrijk om dergelijke gevoelens op de meest onverwachte manieren te counteren.
Zodanig zelfs dat je niet zelden meemaakt dat diegene die geholpen werd, en diegene die geholpen heeft, na een tijdje vijanden geworden zijn.
Het spreekt vanzelf dat het in dergelijke gevallen gaat om een stuitend niet kunnen ómgaan met de welwillendheid en de goedheid van andere mensen.
Als ik dergelijke gevoelens en gedachten in mijn eigen persoontje ervaar dan kan ik mezelf maar één advies geven: “Word volwassen”.
Bovendien, er is toch niets vernederends of zelfs maar gênants aan het feit dat wij anderen iets of zelfs veel verschuldigd zijn. Wij leven van anderen!
Het is juist de goedheid, de warmte, de liefde van andere mensen die ons doet openbloeien en ons tot leven brengt. Dat is hoegenaamd niet iets om ons over te schamen. Eigenlijk zouden wij dankbaar moeten zijn dat we reden hebben om dankbaar te zijn voor de goedheid van anderen.
REDENEN
Bovendien hebben wij nog duizenden andere redenen om dankbaar te zijn.
Dankbaar voor allerlei dingen en situaties die we zelf niet in handen hebben, maar die ons worden toegeworpen vanuit de natuur, de gebeurtenissen om ons heen, onze vrienden en familie, eventueel onze gezondheid en ons fysieke en intellectuele kunnen.
En zeker ook niet te vergeten ons vermogen als mens om contact te hebben met God.
Wij hebben inderdaad ontelbare redenen als mens om dankbaar te zijn.
Argwaan krijgen t.a.v. gevoelens van dankbaarheid kan een serieuze domper zetten op ons eigen gelukkig-zijn. Het is bijgevolg ook een nogal domme bezigheid.
Immers, toelaten dat je dankbaar bent, draagt bij aan je eigen geluk.
Luc Thiry
LUISTEREN
Lucas 18, 1-8
De evangelielezing van vandaag is één grote oproep om te blijven bidden, ook al hebben wij vaak de indruk dat wij niet worden verhoord. Die verhoring is er nochtans, God luistert altijd naar ons bidden, maar dat verhoren is breder dan wij vaak kunnen zien.
Het gebeurt niet zelden dat wij achteraf merken dat wat God ons wél gegeven heeft, veel beter voor ons was dan datgene wat wij Hem vroegen.
Geloven is niets anders dan vertrouwen. Maar op een bepaald moment vraagt Jezus zich wel af of Hij bij zijn wederkomst nog wel geloof op aarde zal vinden?
Wij zijn inderdaad een Kerk van veel woorden geworden, een luidruchtige Kerk.
Maar het lawaai dat wij maken is geen geruis van bidden, maar van discussies en geruzie. En het gaat daarbij niet over hoe wij ons leven kunnen enten op God, hoe wij kunnen tegemoetkomen aan wat God van ons vraagt. Maar over wie hier nu feitelijk de baas is, wanneer nu eindelijk die of die meer aan hun trekken gaan komen in de Kerk, over wie bevoegdheden heeft, over de vrouw in de Kerk, over progressief en conservatief, over relativistisch en fundamentalistisch.
En je vindt dat zowel in de cenakels van het Vaticaan als in het kleinste Hagelandse dorp.
SYNODE
Enorm veel gedruis en gediscussieer in onze Kerk. Maar waar hoor je nog iets over “Wie is God?”, “Kent Hij mij?”, “Hoe kom ik Hem op het spoor in mijn leven?”, “Vanwaar al het kwaad in de wereld?”, “Luistert Hij als ik bid?”.
Neem nu de synodale beweging die paus Franciscus in het leven heeft geroepen. Ook die dreigt van in het begin al te verzanden in ideologische discussies.
Synodaal wil zeggen: luisteren naar iedereen. Iedereen zijn zegje laten doen, iedereen heeft ons iets te zeggen. Wij moeten op de eerste plaats terug leren luisteren.
Ook bijvoorbeeld naar de hedendaagse seculiere cultuur. Ernaar luisteren. Wat heeft ze ons te zeggen? Niet: hoe kunnen wij ons daartegen afzetten?
Wij hebben ons al zo vaak afgezet tegen wat eigenlijk een herontdekking was van vergeten christelijke waarden en principes. Denk aan de Verlichting, de Rechten van de Mens, de grondgedachten van liberalisme en socialisme.
Wij moeten veel beter luisteren. God spreekt tot ons ook in gebeurtenissen, in gedachtestromingen en nieuwe inzichten.
Wij moeten niet achter al het nieuwe aanlopen. Maar wel in ieder geval heel goed luisteren en overwegen.
VELDHOSPITALEN
En als wij samenkomen, laten wij dat dan doen niet om bevoegdheden te verdelen of te bekvechten over wie de baas is, maar om te praten over ons geloof, mekaar te steunen en te helpen daarin, om spiritueel en meditatief bezig te zijn, om ervaringen uit te wisselen en elkaar te helpen in onze weg naar God. En om, naar de ideeën van paus Franciscus, van onze parochies veldhospitalen te maken waar mensen op adem kunnen komen en geholpen worden door gelovigen die theologisch en therapeutisch onderlegd zijn.
Wij zijn er om mekaar te dienen, niet om het Janneke uit te hangen.
Dat laatste, dat kunnen wij als de besten, dat hebben we al eeuwenlang bewezen.
Laten we nu het andere eens wat meer proberen, en elkaar helpen in het dienen van elkaar en dus in het beleven van ons geloof.
Luc Thiry
JE BENT WIE JE BENT
Lucas 18, 9-14
In tegenstelling tot wat je misschien zou denken bij een eerste lezing van dit evangelie, denk ik niet dat het Jezus erom te doen is grootspraak en snoeverij aan de kaak te stellen.
Als de farizeeër zichzelf daar uitgebreid staat te bewieroken, dan is het, denk ik, niet zozeer de zelfvoldaanheid en de pretentie van de man die Jezus stoort, maar de onwaarachtigheid van de hele vertoning.
Jezus is een mensenkenner. Hij weet wat er in de mens steekt.
Hij weet dat elke mens naast goede, ook minder goede eigenschappen en verlangens heeft. En dat hij niet altijd even sterk kan weerstaan aan neigingen waar hij eigenlijk niet wil aan toegeven.
Jezus weet dat iedere mens zijn eigen vrachtje te dragen heeft en dat hoog van de toren blazen in dit soort zaken heel onwaarachtig klinkt.
Soms heeft morele correctheid trouwens gewoon te maken met gebrek aan kansen.
Je moet bijvoorbeeld niet roemen op je kuisheid als je zo lelijk bent als de nacht.
FARIZEEËRS
Bovendien, als wij per se willen verstoppen dat ook wij aanvechtingen en verleidingen én zwakke momenten kennen en dat wij ook regelmatig in de fout gaan, dan komen wij wel heel dicht in de buurt van wat Jezus hartsgrondig verafschuwt: schijnheiligheid.
Jezus heeft geen enkele moeilijkheid met iemand die zijn fouten erkent: Hij vergeeft mensen onmiddellijk en onvoorwaardelijk.
Maar als Hij zo grondig de pest heeft aan farizeeërs dan is dat omwille van hun spreekwoordelijke schijnheiligheid. Ergens omschrijft Hij hen op een vernietigende wijze: het zijn lieden, zegt Hij, die voor het oog van de mensen lange gebeden verrichten, maar ondertussen de huizen van de weduwen opslokken.
Voor Jezus moet je je niet anders en beter voordoen dan je bent.
Hij kent je goede en kwade kanten beter dan je ze zelf kent. En Hij accepteert je helemaal zoals je bent, maar Hij helpt je ondertussen om te groeien en beter te worden.
PAULUS
Maar erken dan ook je zwakheid, zoals Paulus in de eerste lezing.
Paulus is na zijn gevangenneming door iedereen in de steek gelaten.
Maar hij begint dan geen tirade om te stellen dat hij alles “zelf heeft moeten doen”. Neen.
Hij dankt God, die hem gered heeft en kracht schonk om alle beproevingen te doorstaan.
KRACHT
Mogen ook wij onze eigen beproevingen op die manier bekijken.
Wij zijn niet beter of slechter dan anderen.
Maar als wij erop vertrouwen geeft God ons de kracht om ons betere ik naar boven te halen en om verkeerde neigingen te overwinnen.
En met die “verkeerde neigingen” bedoel ik uiteraard niet, zoals 100 jaar geleden, alleen maar seksuele ontsporingen, maar gewoon alles wat ingaat tegen de heiligheid van God en tegen de goedheid en de schoonheid in de schepping. Alles wat ingaat tegen de harmonie tussen mensen en zelfs alles wat ingaat tegen de harmonie tussen mensen en de wereld van dieren en planten.
Alles wat ingaat tegen vrede, schoonheid en goedheid.
Luc Thiry
NA ONZE DOOD …
Je weet dat ik nogal minnetjes doe over de hedendaagse neiging om van ons geloof een religieloos christendom te maken. Een soort morele code, een geheel van regels rond sociaal wenselijk gedrag.
Ik besef natuurlijk ook wel dat de overgang van de “Almachtige God”, “Deus omnipotens”van het traditioneel theïsme naar de God van Jezus Christus, de God van na de holocaust niet gemakkelijk is. Ook voor mij niet.
Bovendien behoort het nu eenmaal tot het genie van het christendom en van de Kerk dat zij de overgang van onze heidense voorouders naar het christelijk geloof meestal heel verstandig hebben aangepakt. Door allerlei onschadelijke heidense gebruiken gewoon over te nemen en te “verchristelijken”. Ik denk daarbij aan het houden van processies, aan het ophangen van een Mariabeeldje aan een oude eik, die vroeger zelf als heilig aanbeden werd, aan het koesteren van relikwieën, en van bepaalde wonderlijke bronnen, plaatsen en voorwerpen.
Maar je kan dat heidens restant rustig relativeren zonder daarbij het hele christendom te verpieteren tot een morele code.
RELIGIEUS
Ons geloof is wel degelijk religieus. Het is, naar de woorden van Paulus, “de vaste grond van wat wij hopen”. “Het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen”. Geloven is echter niet het louter verstandelijk aanvaarden van een soort “opperste wezen” tussen of boven al de andere wezens.
Het is veel meer dan “aannemen dat er ‘iets’ is”.
Het is het, met heel je wezen, lichaam, ziel en verstand, kiezen voor de God van Liefde van Jezus. En vertrouwen op Zijn Naam: “Ik-zal-er-zijn (voor u)”.
En daarom behoort ook het aannemen van het leven na de dood wezenlijk tot ons geloof. Als je echt en hartstochtelijk van iemand houdt en dat ook aan de geliefde bekendmaakt, als je zegt: “Ik hou van je”, dan zeg je niets anders dan: "Ik zou willen dat je nooit sterft, dat je er altijd zal zijn.”
Als God zegt dat Hij van ons houdt als van zijn kinderen, dan zegt Hij dat Hij ons altijd zal blijven koesteren. En voor God is altijd nu eenmaal … altijd.
VERGEVEN?
De enige vraag die dan nog rijst is: wat dan met onze onwaardigheid?
Wat met het feit dat wij tot lelijke, zelfs verschrikkelijke dingen in staat zijn?
God kent ons. Hij heeft ons gemaakt. En Hij heeft ons gewild als vrije mensen, geen robotten, maar als mensen die kunnen kiezen. Ook voor het verkeerde.
Hij heeft ons vrij gemaakt omdat Hij ons liefheeft.
En juist omwille van die liefde vergeeft Hij ons ook.
Misschien toch ook een belangrijke verduidelijking bij dat vergeven.
Wanneer God ons vergeeft of wanneer wij onze medemensen hun kwaad vergeven, dan wil dat zeggen dat de toekomst niet zal bezwaard worden door wraak en vergelding. Maar vergeving betekent helemaal niet dat het kwaad vergoelijkt wordt en dat onrecht niet moet worden bestraft en rechtgezet.
Het is waar dat wij de ziekelijk-wellustige beelden van de hel van Dante achter ons gelaten hebben. Maar de opvatting van de Heilige Theresia van Lisieux spreekt me ook niet erg aan. Ze zei: “Ik geloof wel dat de hel bestaat, maar ik geloof ook dat daar niemand is”.
Met alle respect, maar is dat niet een beetje “heilige onzin”?
EDWARD SCHILLEBEECKX
Dan voel ik mij meer verwant met Edward Schillebeeckx, die stelt: als iemand altijd en systematisch gekozen heeft voor het kwaad dan kan hij niet opgenomen worden in het leven van God, dan heeft hij zich daar zelf voor uitgesloten.
Ik denk, zei Schillebeeckx, dat voor zo iemand na zijn dood het ook werkelijk gedaan is. Amen en uit. Alsof hij er nooit geweest is.
Voor al de anderen is er mogelijkheid van vergeving en verzoening.
En eeuwig leven in God.
Luc Thiry
TIRANNENMOORD
Je weet dat vrij vlug na de oorlog, al vanaf de jaren 50, in de pers berichten begonnen te verschijnen over “Hitlers paus”. Daarin werd Pius XII verweten dat hij nooit publiek het nazisme heeft aangeklaagd.
Dat miljoenen mensen hem daarvoor dankbaar moesten zijn, kwam bij de schrijvers niet op.
Als Pius XII Hitler publiek zou hebben aangevallen dan had het monster geen wraak genomen in Duitsland - de helft van zijn soldaten waren katholiek - maar dan had hij zonder enige twijfel een katholiek land als Polen helemaal “ausradiert”, totaal verwoest.
Ondertussen bepaalde paus Pius wel dat alle katholieke kloosters, scholen, seminaries, kortom alle katholieke instellingen die dat konden, Joden en andere mensen die door de nazi’s vervolgd werden moesten verstoppen en een nieuwe identiteit geven, hoe gevaarlijk dat ook was.
Wat iemand als Albert Einstein na de oorlog deed zeggen: “Ik had helemaal niets met de Kerk. Maar nu voel ik er grote bewondering voor.
Want alleen de Kerk had de moed en de volharding om intellectuele waarheid en morele vrijheid te verdedigen.
Ik voel me dan ook gedwongen om te bekennen dat wat ik ooit verachtte, nu onvoorwaardelijk prijs”.
En Einstein, zelf een jood, dacht daarbij zeker ook aan de encycliek “Mit Brennender Sorge”, die de voorganger van Pius XII geschreven had, voor het eerst zelfs oorspronkelijk niet in het Latijn maar in het Duits, en die frontaal gericht was tegen het opkomend nazisme.
SOMS GEOORLOOFD
Vorig jaar kwam dan de klap op de vuurpijl toen de Britse geheime dienst onthulde dat Pius XII op voorhand op de hoogte was van elke aanslag die ooit op Hitler gepleegd is. Kolonel Von Stauffenberg van de operatie Walküre was zelfs een persoonlijke vriend van paus Pius.
In onze pers uiteraard geen enkel woord over die verbazingwekkende onthulling. Maar dat zal niemand verwonderen. Ik vertel dit alleen maar om nog eens duidelijk te stellen dat voor de katholieke Kerk tirannenmoord, onder bepaalde omstandigheden, geoorloofd is. Zeker als het onomstotelijk vaststaat dar er vele onschuldige levens mee gered kunnen worden. En in het geval van Hitler ging het om miljoenen mensen.
ANDERE WANG
Het is waar dat extreme pacifisten onmiddellijk zullen zeggen: “Jezus heeft toch gezegd als men u op de ene wang slaat, bied dan ook de andere wang aan”.
Dat is zo. Maar dan gaat het over mijn eigen wang. Niet over die van een ander.
Ik heb niet het recht om de wang van anderen, van mijn familie, mij buren of mijn volk aan te bieden. De allereerste plicht die ik heb t.a.v. mijn medemensen, mijn nabestaanden en mijn volk is hen verdedigen tegen tirannen. Zelfs mijn leven voor hen geven.
Vredelievend-zijn is christelijk.
Je drukken is dat allerminst.
Luc Thiry
SOMBERE TOEKOMST?
Lucas 21, 5-19
De toon van dit evangelie is heel erg verontrustend. De plastische beschrijving van al die verschrikkelijke dingen die ons te wachten staan, is ronduit angstaanjagend: ziekten en hongersnood, oorlogen en natuurrampen.
Alleen kunnen wij ons afvragen of de toekomst van onze wereld zoals die hier geschilderd wordt wel echt een toekomst is die op ons wacht.
Gaat het niet eerder om een beschrijving van de wereld zoals die nu is, en zoals die altijd geweest is?
En is het hele optreden van Jezus, meer dan een waarschuwing voor wat ons in de toekomst boven het hoofd hangt, een krachtige oproep om daar iets aan te doen, om in te grijpen, om daar niet in te berusten?
We kunnen dat, we hebben dat al bewezen.
De wetenschappelijke en technologische vooruitgang stelt ons steeds beter in staat om hongersnood, epidemieën en natuurrampen onder controle te krijgen en terug te dringen.
Het gaat natuurlijk wel niet allemaal in een rechte lijn vooruit. Er is ook terugval.
TIJDELIJK
Het blinde vooruitgangsgeloof uit de tijd van de Verlichting heeft ondertussen een flinke deuk gekregen. Zeker op gebied van politiek en ideologie. Het feestelijk optimisme van de jaren zestig, nog versterkt door de ineenstorting van de permanente dreiging van het communisme, heeft de laatste jaren
plaatsgemaakt voor onzekerheid. Bijvoorbeeld over de vooruitgang van democratie, vrijheid en rechtvaardigheid in de wereld, zaken die tot voor kort heel vanzelfsprekend leken.
Hopelijk gaat het hier om een tijdelijk verschijnsel. Maar zeker is het niet.
In ieder geval is het duidelijk dat voor Jezus de kentering niet moet verwacht worden van goden of profeten of van politieke wonderdoeners, maar van mensen die zich laten leiden door de God van liefde en die echt en oprecht alleen maar het goede voorhebben met hun medemensen.
Maar eer het zover is, en hier doet Jezus dus wél een voorspelling, zullen zijn eigen christelijke volgelingen aan den lijve moeten ondervinden dat menselijk egoïsme en machtswellust tot puur demonische slechtheid kunnen leiden.
VOORBEELD
Duizenden, misschien wel tienduizenden van hen zijn in de Romeinse arena’s afgeslacht door gladiatoren en wilde dieren. Alleen maar omdat ze christen waren en niet wilden knielen voor de gekroonde hansworst van dat moment.
Dat zijn historische feiten, maar historische feiten hebben alleen belang als zij ons helpen om in deze tijd onze houding te bepalen.
Voor christenen kan dat alleen maar zijn dat enkel de liefdevolle houding van Jezus hun voorbeeld is. Dat ze zeker niet meedoen aan haat tegen mensen met een andere huidskleur, een andere politieke opvatting of een ander geloof. Goed wetend dat dit heel moeilijk is en dat ze daar in het verleden vaak tegen gezondigd hebben. En dat ze, als ze zo deden, meer leken op de Romeinse machthebbers dan op hun broeders die in de arena hun leven gaven voor Jezus’ evangelie.
Luc Thiry
HEMEL
Lucas 23, 35-43
Als Jezus het heeft over “Het Rijk der Hemelen”, dan heeft Hij het meestal overde getransformeerde wereld die Hij voor ogen heeft, de wereld, de herschapen wereld zoals die er uit zal zien als mensen steeds meer naar het evangelie beginnen te leven. Het is duidelijk dat, in tegenstelling tot sommige eerder passieve vormen van religie en geloof, het christendom oproept tot een radicale inzet om in onze leefwereld revolutionair in te grijpen en de relaties tussen mensen door liefde en vergeving te laten bepalen in plaats van door strijd en concurrentie.
Soms, zoals in het evangelie van vandaag, gebruikt Jezus de term “Rijk der Hemelen” voor de toestand waarin wij ons zullen bevinden als we, na onze dood, met God verenigd zullen zijn.
En het is absoluut noodzakelijk die twee betekenissen uit mekaar te houden, die twee werkelijkheden niet met elkaar te verwarren.
In de theologie spreekt men in dat verband over het “eschatologisch voorbehoud”.
WAAN
In gewone taal wordt daarmee bedoeld dat wij heel ons leven moeten streven naar het vestigen van een hemel op aarde. Maar dat wij die hemel pas echt zullen bereiken en ervaren als wij met God verenigd zijn. Niet eerder.
Bij alles wat wij hier op aarde - ten goede - verwezenlijken blijft altijd nog het voorbehoud dat dit mensenwerk blijft. Niet echt de hemel dus.
Het is duidelijk dat dit voorbehoud ons moet behoeden voor ideologische verdwazing. D.w.z. de waan dat een of ander politiek, economisch of wat voor systeem dan ook de ultieme oplossing is, het hoogste waar wij mogen op hopen.
En waaraan dus ook niet getornd mag worden.
De meest monsterachtige politieke ideologieën streven die verdwazing altijd doelbewust na: zoek niet verder, wat wij bieden is het absolute eindpunt, de climax, het hoogste wat de mensheid bereiken kan.
KERK
Ook christelijke groepen, soms zelfs de hele Kerk, hebben zich af en toe van dergelijke ideologische trucks bediend. Zo had je in de middeleeuwen bijvoorbeeld het verhaal over “de twee zwaarden”. Bij de uitverkiezing van Petrus, zou Jezus hem ook twee zwaarden gegeven hebben. Het ene symboliseerde zijn geestelijke macht, het andere zijn wereldlijke macht.
Een absurd verhaal natuurlijk, maar het werd doodleuk verspreid om de wereldlijke macht van de paus te verdedigen. Dat meezeulen van onware, niet te verifiëren en gewoon leugenachtige beweringen zijn typisch voor ideologischgekleurde verhalen.
Gelovigen moeten op dat terrein uiterst omzichtig blijven.
Maar wanneer Jezus tot de “goede moordenaar” zegt: “Heden nog zult gij met mij zijn in het paradijs”, bedoelt Hij inderdaad het definitief verenigd zijn met God na onze dood. Het eeuwig geluk dat wij traditioneel “de Hemel” noemen.
GOD
Gaan daar alleen maar engelen en mensen zijn? Ik durf te hopen van niet.
Er is dat verhaal van dat jongetje, dat tijdens een audiëntie met paus Franciscus heel hard aan het wenen was. Op de vraag van de paus naar het waarom bleek dat zijn hondje die morgen overleden was. Waarop de paus hem troostte met hem te verzekeren dat ook zijn hondje in de hemel gelukkig was en op hem zou wachten. Wij hebben geen enkel idee over hoe of waar, of hoeveel, wat de hemel betreft.
Maar wij durven geloven dat niet alleen mensen, maar dat de hele schepping voor ons herschapen wordt.
Als de nabijheid van dat hondje van wezenlijk belang is voor het geluk van dat jongetje, dan moet dat hondje ook in de hemel zijn. Misschien niet zichtbaar voor de anderen, maar wel voor dat jongetje.
Als God liefde is, dan is alles wat ons in ons leven gelukkig gemaakt heeft op de een of andere manier aanwezig in de hemel.
Hoe kan dat? Voor mijn verstand kan dat alleszins niet.
Maar wij moeten God niet inperken.
Voor God is niets onmogelijk.
Luc Thiry
WEES WAAKZAAM
Mt 24, 37-44
“Weest waakzaam” is overduidelijk het centrale en ook enige thema van de evangelielezing van vandaag. Het komt wel drie keer terug in de nochtans korte perikoop van deze dag.
Maar de oproep om waakzaam in het leven te staan, vind je eigenlijk op bijna elke bladzijde van het evangelie terug.
De cruciale vraag daarbij is dan natuurlijk waarvoor we waakzaam moeten zijn. Waar moeten we naar uitkijken, wat hebben we te verwachten?
Gaat het om een bang afwachten van verschillende dingen waaraan niet te ontkomen valt of is het eerder een uitkijken naar ontmoetingen en gebeurtenissen die ons leven zullen verrijken en ons geluk doen toenemen?
Daar komt nog iets bij.
Eeuwenlang hebben wij dat “wees waakzaam” betrokken op de mogelijkheid van onverwacht en plots te sterven en totaal onvoorbereid voor God te verschijnen.
Normaal zou je verwachten dat in een tijd van uitgebreide nieuwsverschaffing door de overal aanwezige media, dat besef nog zou aangescherpt zijn.
Wij worden inderdaad overspoeld door berichten over plotse rampen in een oncontroleerbare natuur of een falende techniek, oorlogen tussen landen, het alsmaar toenemen van geweld en misdadigheid onder de burgerbevolking, en de blijvende mogelijkheid op het onbarmhartig toeslaan van ziekten en nieuwe epidemieën, zelfs in het rijke Westen.
LEVENSHOUDING
En toch, uitgerekend in deze tijd zijn wij er achter gekomen dat het “Wees waakzaam”, zeker niet alleen de mogelijkheid van een plotse dood betreft, maar dat het een aansporing is die geldt voor elk moment van ons leven.
Het gaat immers wezenlijk om een levenshouding die helemaal gekenmerkt wordt door een openstaan voor elk teken dat van God zou kunnen komen.
En wel vanuit het fundamenteel besef dat God helemaal niet noodzakelijk aan ons verschijnt op een Hollywoodachtige manier met bulderende stem, met verschijningen en met klank- en lichteffecten.
God kan tot ons spreken op onvoorstelbaar veel verschillende manieren. Hij kan tot ons spreken vanuit iets wat we lezen of wat we zelf meemaken, een gebeurtenis, een ontmoeting, een tegenslag of juist een gelukservaring.
1000 MANIEREN
Ontelbaar zijn de mogelijkheden die God heeft (en ook gebruikt) om met ons in contact te treden. Overigens misschien nog het meest via mensen die wij ontmoeten en gebeurtenissen die we meemaken.
En dat hoeven niet per se deugddoende gebeurtenissen en super bekwame mensen te zijn.
Ook allerminst prettige ervaringen kunnen ons iets vanwege God willen overbrengen.
En hetzelfde geldt voor mensen waarvan wij nooit zouden verwachten dat God ons via hen iets wil zeggen. En juist daarom: “Wees waakzaam”.
Overweeg, denk na en - waarom niet - bid en mediteer over de dingen die je meemaakt. Wellicht ontdek je daarin een vingerwijzing, een hint, of een knipoogje van God. Probeer dat niet te missen. Wees waakzaam.
God is heel anders dan bijvoorbeeld het theatrale orakel van Delphi.
Hij is op een of andere manier in ALLES aanwezig. En Hij spreekt tot ons op 1000 verschillende manieren. Probeer het niet te missen. Wees waakzaam.
Luc Thiry
TOT GELOOF KOMEN
Mt 3, 1-12
Iedere advent opnieuw worden wij geconfronteerd met de flamboyante figuur van Johannes de Doper. Johannes was zowel in zijn optreden als in zijn hele voorkomen een duidelijk excentrieke figuur.
Het voedsel dat hij tot zich nam en de kleding die hij aantrok waren zelfs voor die tijd heel buitenissig te noemen.
Bovendien kan ik mij levendig voorstellen dat de man eerder tot de mensen schreeuwde en tierde dan dat hij onderrichtend tot hen sprak.
En dat wát hij zei, de mensen eerder de stuipen op het lijf joeg, dan tot rust te brengen.
Johannes was duidelijk een laatste oudtestamentische figuur, die als het ware verdwaald was in het evangelie over Jezus.
En toch werd hij van in het begin door de christenen gezien als de voorloper van Jezus. En je vraagt je dan toch wel af waarom.
TRANSCENDENTIE
Ik denk dat de doorslag hierin gegeven werd door het feit dat Johannes de bekering of minstens de wil om zich te bekeren ziet als de noodzakelijke voorbereiding om God te kunnen ontmoeten.
Om de God die Jezus ons gebracht heeft te kunnen ervaren in zijn liefde en zijn vergevende barmhartigheid en om - van daaruit - in Hem te gaan geloven.
De klassieke scholastische filosofie heeft ons opgezadeld met de gedachte dat geloven in God een rationele kwestie is. Het is je verstand, dat op een zeker moment beslist om te geloven in het bestaan van een bovennatuurlijk wezen achter de horizon van de wereld. Het is precies dat wat Pascal deed met zijn beroemde weddenschap: “J’accepte!”
Vanuit die rationele beslissing kan je dan ook beginnen te houden van God, Hem lief te hebben voor wat Hij – de Schepper – voor jou gedaan heeft en voor wat Hij nog altijd voor jou betekent.
De hedendaagse theologie sluit echter terug aan bij Augustinus.
“Liefde is een passie”, zegt Augustinus, een passie die hunkert naar vervulling.
De overgang van ongeloof naar geloof gebeurt niet wanneer een concrete persoon begint te denken dat God bestaat of wanneer hij verstandelijk instemt met bepaalde opvattingen of geloofsartikelen.
Maar wanneer hij de liefde als het enige ware in het leven begint te zien.
En wanneer hij zo zelf tot transcendentie komt, dat wil zeggen, tot het overstijgen van zichzelf, tot het overstijgen van zijn egoïsme en zijn zelfingenomenheid.
KIEZEN
Eigenlijk moet je dus toch wel zelf een eerste stap zetten en minstens een begin van “bekering” maken.
Maar de ondervinding leert dat, eens die eerste stap gezet, of zelfs maar de intentie er is om die stap te zetten, God ons onmiddellijk tegemoetkomt.
En wij beseffen dat de liefde van God in heel de werkelijkheid aanwezig is.
Het kwaad is er ondertussen duidelijk ook. Maar alleen maar om te voorkomen dat wij zielige robotten zijn, opdat wij ook duidelijk kunnen kiezen tussen het kwade en het goede, opdat wij echt de mogelijkheid zouden hebben om onszelf te “overstijgen”, te transcenderen.
God is oneindig goed voor ons. Hij geeft ons alles in handen.
En Hij geeft ons bovenal vrijheid én verantwoordelijkheid.
Luc Thiry
HEIDENSE TREKJES
Mt 1, 18-24
Zelfs Cato – een toch wel eerbiedwaardige, conservatieve staatsman in het antieke Rome – vertelde dat hij maar niet kon begrijpen dat twee tempelpriesters mekaar konden passeren zonder het uit te proesten en in een slappe lach te schieten. En inderdaad, de hele antieke godenwereld was, kortgezegd, gewoon lachwekkend. Het was een wereld die helemaal was opgebouwd uit dromen en wensen van mensen en die dus ook gekenmerkt werd door menselijke streken en ondeugden. De goden konden liegen en bedriegen en ze hadden soms iets petieterig jaloers en kinderachtigs.
Maar de goden hadden wel iets wat de mensen niet hadden. Ze beschikten over enorme magische krachten: ze konden toveren ... En dat konden mensen niet. Hoewel ze het zo graag hadden gekund. En dus probeerden ze met offers en gebeden de goden met hun toverkrachtaan hun kant te krijgen.
En toen verscheen het christendom. Dat christendom was zoiets aparts, zoiets buitenissigs dat het niet door mensen kón uitgevonden zijn.
God die zó van zijn mensen hield dat Hij mens werd. Niet zoals de heidense goden, die zich af en toe vermomden als mens om de mensen een beetje voor de gek te houden, maar God die echt mens werd, die echt het leven van een mens aannam, en die uiteindelijk ook door mensen werd gedood.
Het was zo buitenissig dat het inderdaad niet door mensen kon uitgevonden zijn.
TAAIE GEWOONTEN
Maar ... hoe mens-betrokken die christelijke God ook was en hoe liefdevol en diepmenselijk Jezus ook onder ons leefde, de mensen hadden weinig oor naar de dingen die Hij van ons vroeg, de levenswijze die Hij van ons verwachtte.
Ze keken veel meer uit naar de spectaculaire dingen die Hij voor hen kon doen, naar het machtsvertoon, de wonderen en de mirakelen die Hij voor hen kon verrichten.
Ze noemden zich voortaan christenen, maar in hun verwachtingen naar God toe bleven het heidenen, helemaal toegespitst op wonderen en magie.
Het evangelieverhaal van vandaag, de aanloop naar de geboorte van Jezus, van een maagd die een kind verwachtte, bracht ze al helemaal in die sfeer. Uniek was dat niet. In de antieke wereld kwam het nog wel eens voor dat een heel bijzonder iemand verondersteld werd de Zoon van een maagd te zijn.
Nu is het niet de bedoeling mij hier af te zetten tegen de maagdelijke geboorte van Jezus. Maar ik vind het wel merkwaardig dat het evangelie zelf weinig moeite doet, eigenlijk geen enkele moeite doet om die stelling te verdedigen.
Immers enkele bladzijden ervoor wordt het bewijs van Jezus’ afstamming van koning David helemaal via Jozef gelegd.
Wat toch een beetje een probleem zou moeten zijn ...
ESCAPISME
Ik wil alleen maar zeggen: laat ons die typisch heidense zucht naar sensatie, wonderen en mirakelen wat temperen. De openbaring die Jezus ons gaf over een God die van ons houdt als van de appel van zijn oog is oneindig veel waardevoller dan alle heilige plaatsen, alle heilige bronnetjes en medailles, alle gezegende beelden en scapulieren en relikwieën samen.
De liefde van God die in ons diepte binnenste – tegen veel belemmeringen in – haar werk verricht komt ons ook van buitenaf tegemoet uit al het goede en het mooie in de schepping. Sommige diep ontroerende ervaringen met mensen en in de natuur vertellen ons meer over de goedheid en de schoonheid van God dan een of ander mirakelverhaal.
Laten wij daarom die hang naar het buitengewone overlaten aan de ontspanningsindustrie en haar escapisme. Aan de mogelijkheden die ze biedt om te ontsnappen aan de werkelijkheid en weg te dromen in een fictieve wereld.
Ons geloof gaat niet over dat soort dingen. Ons geloof gaat over schoonheid, rechtvaardigheid, goedheid en vrede in het gewone leven van de mens.
Opdat dit leven buitengewoon levenswaard zou zijn.
Luc Thiry
TWEE KEER MENSWORDING:
VAN GOD EN VAN DE MENSEN
Lc 2, 1-14
In het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd was van Judea, … zo begint het evangelie van de christenen.
Heel anders dan bij alle andere godsdiensten, die hun oorsprong vinden in een grijs mythologisch verleden, krijgen we hier een exacte omschrijving van het moment waarop God onze geschiedenis is binnengekomen.
En toen Hij dat deed, gebeurde dat op de enige manier die voor ons begrijpelijk is: in een mens.
Een mens die dacht en voelde en sprak zoals wij.
En die mens, Jezus, leerde ons wat God van ons verlangt. En hoe wij, door daar op in te gaan, zelf tot volle ontplooiing komen.
Het kindje dat in Bethlehem op de wereld kwam, leerde ons dat God liefde is en dat wij zijn kinderen zijn, door Hem gewild. En dat Hij van elke mens oneindig veel houdt.
Maar dat wil dan ook meteen zeggen dat wij alleen maar tot ontplooiing kunnen komen, onszelf volledig kunnen realiseren, door ons ook zelf te ontwikkelen tot liefdevolle wezens.
EGOÏSME
Hoezeer en hoe vaak zijn wij later niet hervallen in oude heidense waanideeën.
Dat wij onszelf en de wereld het best kunnen redden door goed voor onszelf te zorgen bijvoorbeeld. Of, omgekeerd, dat wij offers moeten brengen en dat wij onszelf moeten minachten en zelfs pijn doen. Wat hebben wij er allemaal niet van gemaakt! Maar dat was in ieder geval niet wat Jezus ons geleerd heeft.
Op elke bladzijde van het evangelie lees je dat Jezus ons wil vrijmaken, dat Hij ons wil helpen om de ketens van ons af te gooien en rechtop te lopen.
De ultieme bewerker en tezelfdertijd ook de uitdrukking van die vrijheid, is de liefde.
En grote satan, die ons tegen de grond houdt, is niet een of ander mythologisch monster, maar ons eigen egoïsme dat voortdurend schade toebrengt aan alles wat met schoonheid, vrede en liefde te maken heeft.
Schade aan onszelf en bij de mensen om ons heen.
En precies daarom vertaalt het dichter komen bij God zich altijd in het meer afstand nemen van je egoïsme.
Ach, wij hebben natuurlijk een heel arsenaal achter de hand van allerlei argumenten die ons beweren dat goed zorgen voor jezelf ook nodig en wezenlijk is.
Maar dat neemt niet weg, het gigantische feit dat zo goed als alle ellende van en tussen mensen te maken heeft met alleen maar voor jezelf bezig zijn.
En dat de mens die vanuit egoïsme handelt, het eerste slachtoffer van zijn opgeblazen eigenliefde is.
VERLOSSING
Eigenliefde heeft in onze biologische evolutie zeker haar nut bewezen, ze heeft ons triomfantelijk gebracht van het eerste oerslijm tot wat we nu zijn. Maar als wij in de huidige fase willen komen tot liefde voor God en voor zijn mensen, dan moeten wij het pad van de zelftranscendentie inslaan en ons egoïsme ontstijgen.
Ik vermoed dat, als wij dat stadium bereiken, dat dan zal blijken dat we niet alleen maar offers hebben gebracht, maar dat we onszelf bevrijd hebben van iets wat onszelf als een dictator onderdrukt.
Dat juist dit overstijgen van ons egoïsme, de bevrijding bewerkt die Jezus ons aanbiedt. Een overweldigend gevoel van verlost zijn.
En dat we dan Martin Luther King kunnen parafraseren en uit het diepst van ons hart kunnen uitroepen: “Free at last, free at last, … thank God I am free at last.”
Luc Thiry
